Sociaal-economische voorwaarden voor industrialisering:
Sociaal-economische ontwikkelingen voorafgaand aan de industrialisering
De lage productiviteit in de landbouw
1500: 4 op de 5 mensen werkzaam in de landbouw; oorzaak: de lage productiviteit, blijkt uit yield ratio = opbrengstfactor die de verhouding zaaizaad/opbrengst aangeeft. Toendertijd was deze 7: 1/7 deel (14%) van het areaal moest gebruikt worden voor zaaizaad. Nu: 45 (2%).
Landbouwsysteem: kleine gemeenschappen. Heerlijke verplichtingen: grondcijnzen (vaste betalingen in geld of natura, gebonden aan onroerend goed) en banaliteiten (betalingen voor verplicht gebruik van bv wijnpers, bakoven, molens). Open-field-systeem: niet gescheiden, kleine percelen, gemeenschappelijk bewerkt. Werkte remmend op het doorvoeren van innovaties, vertraagde de productiviteitsgroei. Door heerlijke verplichtingen ontbrak het aan kapitaal voor investeringen. Voordelen: bescherming individuele boer door gemeenschap. Lage productiviteit leidden snel tot crises de type ancien: oogst mislukt à graanprijs stijgt à vraag daalt niet (hamsteren) à vraag naar nijverheidsproducten daalt à uitstel huwelijken, minder geboorten à bevolking daalt. In Frankrijk waren deze crises heviger en frequenter, tot 2e helft 18e eeuw. Oorzaak: productiviteit in Eng steeg begin 16e eeuw.
De ontwikkeling van de landbouw in Engeland
Zwakke positie kleine boeren, hadden grond niet in volledige eigendom. Zwarte Dood tussen 1300-1400: vrijkomende grond in bezit genomen door adellijke heren; hoge grondcijnzen. Grote bedrijven boden meer kans op hoge opbrengst à enclosures (herverkaveling). Woeste gronden in beslag genomen en omheind. Rond 1800 was 85% van de grond enclosed. Kleine boeren verdreven uit agrarische sector.
Enclosures bevorderden agrarische productiviteit: gemeenschappelijke bebouwing verdwenen à innovaties makkelijker door te voeren. Grotere bedrijven.
Verburgerlijking van de adel: grondbezit niet meer gezien als bron van macht, maar als inkomstenbron. Geen alternatieve inkomstenbron zoals in Fr (ambten).
Gevolg stijging productiviteit: expansie van de nijverheid.
De ontwikkeling van de landbouw in Frankrijk
Adel had weinig grond in eigen beheer (15%). Boeren feitelijk eigenaar. Versplintering boerenbedrijven. Belastingdruk nam toe. Tweeslachtige houding koning jegens boeren: enerzijds bescherming tegen adel, anderzijds steeds zwaardere belastingdruk à monetarisering economie, commercialisering en rationalisering landbouw (boeren moesten zich gaan richten op de markt). Door adel steeds grotere afdrachten geëist. Kleine boeren verarmden. Geen kapitaal voor vernieuwingen. Grond gekocht door burgers en edelen, deze gingen grond niet commercieel exploiteren omdat ze door aankoop van ambten in hun onderhoud konden voorzien.
Loop 18e eeuw: enclosure-edicten door de staat. Toch was in 1800 nog 60% vd bevolking actief in de landbouw tegenover 36% in Eng. Systeem van gemeenschappelijke bebouwing bleef op veel plaatsen bestaan. Groei nijverheid belemmerd.
Samengevat: tussen 1500-1800 wisten kleine boeren zich te handhaven met hun systeem van gemeenschappelijke bebouwing en steun van de koning. De fiscale druk dwong hen zich wat meer op de markt te richten, maar koopkracht bleef beperkt, weinig geld voor investeringen. In de loop van de 18e eeuw ging de staat grootschalige landbouw bevorderen à stijging productiviteit. Toch waren er eind 18e eeuw nog veel kleine bedrijven met een lage productiviteit.
Agrarische ontwikkelingen in Eng en Fr: overeenkomsten en verschillen
Overeenkomsten:
Verschillen:
De globale ontwikkeling van de nijverheid
Grote invloed van de gilden. Nadruk op hoge kwaliteit en beperkte kwantiteit. Stijging vraag eind 15e eeuw. Toename bevolking, stijging vraag naar agrarische producten, productieverhoging à groter deel vd bevolking in handel en nijverheid. Heropleving handel versterkt door koloniën. Putting-out-systeem: koopman-ondernemer leverde grondstof voor thuiswerkers. Eerst vooral in grote steden, later vooral op platteland: reservoir van arbeidskrachten. Goedkoop: gildebepalingen golden niet; huisnijverheid was slechts aanvulling op boereninkomen, dus lonen laag. Wel vaak seizoenarbeid. Op sommige plaatsen groeide dit echter uit tot full-time bezigheid. 18e eeuw: proto-industrie in volle bloei. Verplaatsing naar platteland maakte groei nijverheid mogelijk: veel arbeidskrachten; er werd jonger gehuwd à meer kinderen à groei aantal arbeidskrachten. Specialisatie en werking van het marktmechanisme bevorderd. Proto-industriële regio’s gingen voedsel van elders aanvoeren. Koopkracht bevorderd: in de agrarische gebieden door steeds toenemende export van voedsel; in andere regio’s door groei van de proto-industriële nijverheid.
De proto-industrie in Eng en Fr vergeleken
Voorwaarden voor groei: voldoende arbeidskracht, voldoende grondstoffen, voldoende afzetmogelijk-heden.
Overeenkomsten:
Verschillen:
Conclusie paragraaf 1: blz. 85-86.
De tragere industrialisering in Frankrijk
Het ontstaan van fabrieken
Organisatie van de proto-industrie stelde grenzen aan de groei van de productie. Nadelen: om de productie te kunnen blijven vergroten moest de koopman-ondernemer steeds meer verderaf wonende arbeiders in dienst nemen à grotere afstanden voor transport à tijdverlies en hogere kosten. Moeizamere controle op arbeiders. Wanneer arbeiders nog gedeeltelijk in de landbouw werkten, waren zij niet geneigd continu hun tijd aan industrie te besteden (oogsttijd). Waren niet op winst gericht, hoofddoel was evenwicht tussen productie en consumptie.
Productie moest verhoogd worden door middel van mechanisatie. Eind 18e eeuw had de proto-industrie in Eng haar grenzen bereikt. Overgang naar mechanisering en productie in fabrieken. Kennis voor mechanisatie was al aanwezig, moest toepasbaar gemaakt worden. Bv de spinning jenny van Hargreaves. Enorme vraag stimuleerde kennisontwikkeling. Prijzen daalden, meer afzetmogelijkheden, productiegroei, nieuwe mechanisatie. Geen plan voor groei en expansie, was autonoom, organisch proces. Tragere overgang in Fr.
De landbouw
De productiviteit in de Franse landbouw bleef relatief laag. Dit beperkte de vraag naar industriële producten en het aanbod van niet-agrarische arbeid. Met de Franse Revolutie werd het probleem van de kleine boeren niet opgelost. Integendeel, de boeren werden volledig eigenaar van de grond die ze altijd al bebouwd hadden. Op kleine bedrijven was niet veel geld voor innovaties. Het doorvoeren daarvan werd ook vertraagd door het lang blijven voortbestaan van het systeem van gemeenschappelijke bebouwing. Door dit alles steeg de productiviteit in de landbouw langzaam. Vanwege de lage opbrengsten konden de kleine boeren niet veel voedsel voor de markt produceren. Ze verdienden dus ook niet genoeg geld om industriële producten te kopen. De koopkracht van de niet-agrarische bevolkingsgroepen (die toch al klein waren) werd beperkt door de hoge voedselprijzen. Deze werden enerzijds veroorzaakt door de geringe agrarische productiviteit, anderzijds door de importbeperkingen op voedsel. Arbeidsaanbod in de industrie: door de geringe productiviteit in de landbouw moest noodgedwongen een groot deel van de bevolking in de agrarische sector blijven werken. De boeren werden met de Franse Revolutie sterker dan ooit aan hun grond gebonden omdat ze die volledig in bezit kregen, dus waren zij minder genegen om in de industrie te gaan werken. De boeren zijn hun kindertal gaan beperken om hun bezit niet nog meer te versnipperen (1804: afschaffing eerstgeboorterecht). Ook daardoor bleef het aanbod van arbeid voor de industrie klein.
Bevolkingsontwikkeling
1500: Fr 15 miljoen, Eng 3,8 miljoen. 1500-1750: Fr 50% groei, van 24 naar 36 miljoen; Eng 3x zoveel, van 6 naar 18 miljoen.
Geboortencijfers: Fr 1740-1900: ↓ Eng: tot 1820 ↑, tot 1870 licht ↓, na 1870 scherp ↓
De langzamere bevolkingsgroei in Fr werd vooral veroorzaakt door het feit dat daar de geboortencijfers vanaf 1740 continu daalde, terwijl zij in Eng eerst stegen tot 1820, om pas daarna af te nemen. In Fr daalden de geboortencijfers vroeg doordat de talrijke kleine boeren hun kindertal beperkten om hun bezit niet teveel te versnipperen. In Eng waren rond 1740 al veel mensen volledig afhankelijk van de verkoop van hun arbeidskracht. Vooral in de bloeiende proto-industrie waren er voldoende mogelijkheden voor werk. Daardoor kon er ook op jeugdige leeftijd getrouwd worden. Het vroeger huwen zorgde voor een stijging van de geboortencijfers.
Relatie bevolkingsgroei-industrialisering: in Eng stimuleerde de groei van de bevolking zonder meer de industrialisering. Vooral het aantal mensen zonder land nam daar in aantal toe. Daardoor kwamen er extra arbeidskrachten beschikbaar voor de industrie en steeg de koopkrachtige vraag. In Fr is het verband ingewikkelder. De toenemende bevolking heeft daar in eerste instantie gezorgd voor een verdere verkleining van de boerenbedrijven en aldus de productiviteitsstijging in de landbouw vertraagd. Dat had een nadelige invloed op de koopkrachtige vraag. Op wat langere termijn gezien heeft de groeiende bevolkingsdruk echter veel boerenzoons gedwongen om buiten de landbouw een bestaan te zoeken. Daardoor kwamen er meer arbeidskrachten voor de industrie en namen de afzetmogelijkheden voor nijverheidsproducten toe.
Infrastructuur en grondstoffen
Transportproblemen: over land traag en duur. 2e helft 18e eeuw: aanleg wegen in Eng en Fr. Eng: privé-initiatief (Turnpike-act 1663), in Fr via de overheid. Aanleg kanalen 2e helft 18e-1e helft 19e eeuw (canal fever). In Fr later, pas na 1815. Spoorwegen: in Eng sinds 1825. In Fr ging het trager, maar achterstand kleiner dan in aanleg kanalen. Voordelen spoorwegen: snel, goedkoop, het hele jaar door, grote uitbreidingsmogelijkheden. Groeit met economie mee en stimuleert de economie. De aanleg van spoorwegen kan de industrialisering bevorderen:
Redenen waarom de spoorwegen voor de Franse industrialisering belangrijker zijn geweest dan voor de Engelse:
Of de trage ontwikkeling van de infrastructuur oorzaak of gevolg is van de tragere industrialisering is niet duidelijk. Wel duidelijk is dat het tekort aan kolen de Franse industrialisering heeft vertraagd en dat de vertraagde werking geringer zou zijn geweest bij een vroegere verbetering van de infrastructuur.
Koloniën en kapitaal
Koloniën goedkope leveranciers van producten en geprivilegieerde afzetmarkten.
Rond 1750: Eng en Fr grote, wereldwijde imperia. Nadien Fr niet meer, Eng werd nog groter. Fr verloor koloniale bezittingen na de nederlaag van Napoleon in 1814.
Kapitaalvorming: in Eng al banken in de 17e eeuw, na 1750 grote groei. Bank of England (1694) mocht bankbiljetten uitgeven. Ontwikkeling private bankwezen: handelsbanken, verleenden kortlopend krediet aan handelaars en ondernemers voor handelstransacties; country banks: kredietverlening aan de jonge, plaatselijke industrie (kortlopend krediet). Geen langlopende investeringen. Investeringen in machines met familiekapitaal en het terugploegen van winst in het bedrijf. Engels bankwezen goed georganiseerd.
In Fr was dit een stuk slechter. Banque de France pas in 1800 opgericht. Geen goed kredietnetwerk, oiv de spoorwegaanleg ging dit veranderen. 1852: Crédit Mobilier: financiering industrialisering. Grote achterstand op Eng.
Consequenties van ontwikkeling bankwezen voor het industrialiseringstempo: afwezigheid banken hing sterk samen met geringe behoefte eraan. Toen de vraag naar kapitaal in de loop van de 19e eeuw groeide, begon ook het bankwezen zich te ontplooien. De banken liepen altijd achter op de industriële ontwikkeling, konden niet adequaat op de behoeften inspelen.
Kenmerkend is dat in beide landen de banken geen lange-termijnleningen aan de industrie verschaften. Pas in het laatste kwart van de 19e eeuw veranderde dit (en dan vooral in Frankrijk).
Conclusie paragraaf 2: blz 105-106
Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland
Winnie de Keizer (2002)