Inleiding
Mentaal-culturele voorwaarde: burgerlijk-kapitalistisch denken:
Bronnen van het burgerlijk-kapitalistisch denken onderzoeken op hun oorsprong en op hun West-Europese karakter.
Verband tussen industrialisering, secularisering en urbane mentaliteit. Causaliteit voor 19e eeuwse theoretici: industrialisering à urbanisering à urbane mentaliteit en secularisering. Eind 19e eeuw, Karl Bücher, causale reeks omgedraaid: Renaissance/Verlichting + urbanisering à secularisering + urbane mentaliteit à innoverende ondernemersmentaliteit (burgerlijk-kapitalistisch). Dus urbane mentaliteit en secularisering niet de gevolgen, maar de oorzaken van de vroege industrialisering van Europa.
Max Weber: ontkende niet de invloed van Renaissance en Verlichting, maar zag ook grote rol van platteland en christendom (vnl calvinisme).
Vier bronnen onderzoeken op bijdrage ontstaan burgerlijk-kapitalistische mentaliteit:
Marx: Renaissance, Verlichting en christendom vormen onderdeel van de mentaal-culturele traditie (bovenbouw), stad en platteland verwijzen naar een sociaal-economische constellatie (onderbouw).
Kenmerken van de begrippen 19e eeuwse burgerlijk-kapitalistische cultuur:
Bezitsindividualisme: de eigendomsrechten van het individu zijn absoluut. Hij/zij kan naar eigen goeddunken hiervan gebruik maken zonder rekening te hoeven houden met affectieve, op familietrouw gebaseerde loyaliteiten tov eigendom.
Utilitaire bezitsopvatting: bezit wordt hier zuiver opgevat als een middel tot het vergaren van nieuwe rijkdom, hetgeen een minder afhankelijke en affectieve binding aan het eigendom impliceert. Dit denken staat in nauwe relatie met het bezitsindividualisme en het egalitair-meritocratisch denken.
Egalitair-meritocratisch denken: niet geboorte, stand of status bepalen de mogelijheden om een maatschappelijke carrière te behalen, maar individuele capaciteiten en prestaties.
Calculerend denken: relaties tussen mens en wereld, mens en medemens en bezit worden hier beoordeeld vanuit hun economisch belang, nut of profijt.
Tijdsconceptie: itt de middeleeuwse opvatting, waarin tijd als overvloedig en onbeweeglijk werd beschouwd, is tijd volgens de nieuwe opvatting dynamisch, toekomstgericht en schaars.
Arbeidsconceptie: de 19e eeuwse visie zag arbeid als een efficiënt middel ter verkrijging van bezit en rijkdom. Men zag arbeid als iets positiefs, itt tot vroeger toen arbeid als boete voor zonden werd beschouwd.
Systeemdenken: hierin wordt de wereld opgevat als een geheel van immanente wetten dat empirisch en rationeel onderzocht kan worden en in principe beheersbaar is. In het systeemdenken is geen plaats voor de irrationele elementen van het vroegere wereldbeeld.
Mechanisering van de economie: de overtuiging dat het economisch handelen van individuen het produkt is van een machine-achtig organisme.
Urbane en rurale bronnen
De stad
Weber: stedelijke ontwikkeling van Europa uniek: anti-traditionalisme en individualisme. Doorbreken van traditionele politieke hiërarchie, stad vrij en autonoom. Individualisme: stedelingen op de 1e plaats stadsburgers, op de 2e plaats leden van families of beroepsgroepen; leidde tot egalitaire maatschappij-opvatting. Waardering voor economische activiteiten. Speculatief kapitalisme of buitkapitalisme: door verbod op slavenhandel en rente verdween dit in West-Europa gedurende de ME. Nieuw kapitalisme: handelskapitalisme; winststreven ipv behoeftenbevrediging; van Bedarfdeckungswirtschaft naar Erwerbswirtschaft. Weber plaatst het universele, irrationele buitkapitalisme en het religieus gebonden anti-kapitalisme van de ME tegenover het West-Europese rationele kapitalisme van de vroeg-moderne tijd. Collectieve bezitsopvattingen verdwenen. Relatie tussen ondernemer en eigendom veranderde: minder affectieve binding aan het eigendom, meer calculerend en utilitair.
Romein: in Europa na 1500 breuk in het tot dan toe heersende cultuurpatroon, het Algemeen Menselijk Patroon. De Europese Afwijking: andere arbeidsopvatting, nieuwe arbeidsethiek: arbeid positief gewaardeerd, niet langer beschouwd als vorm van straf à individualisering van de eigendomsopvatting, ontstaan van een dynamische, toekomstgerichte tijdsconceptie en een utilitaire en calculerende eigendomsopvatting.
Het platteland
Ontwikkeling van bezitsindividualisme op het platteland. Dwz dat het hoofd van het huishouden optreedt als enige bezitter, kan doen met eigendom wat hij wil. Onderzocht door vergelijking van huwelijkspatroon, rechtspositie en gezinssamenstelling van boeren in Oost- en West-Europa.
De demarcatielijn van Hajnal (gezinshistoricus): lijn van Triëst naar Leningrad, geeft sociale scheiding aan, verschil in huwelijks- en voortplantingsgedrag. W.Eur: laat huwen, hoog % ongehuwden; er werd pas gehuwd als men zelfstandig over bestaansmiddelen kon beschikken. O-Eur: door grootschalig collectief bezit was het niet nodig huwelijken uit te stellen. Vindt bevestiging in rechtsverhoudingen. Drie rechtsgebieden: O-Eur: feodale rechtsverhoudingen (boeren onvrij); W.Eur: allodiale (heerlijke rechten beperkt tot juridische) en seigneurale (grond onderworpen aan heerlijke heffingen) rechtsgebieden met persoonlijke vrijheid en de mogeljkheid tot verwerving van bezitsrechten. Allodiaal: Engeland, west-noord Nederland. Seigneuraal: Frankrijk. Samenstelling huishouden: O.Eur: samengestelde huishoudens (ouders, kinderen, grootouders, broers, zusters, neven, nichten); W.Eur: kerngezin (1 ouderpaar met kinderen). Weber: in het kerngezin werden sociale en economische functies uit elkaar gehaald; gezin en bedrijf gescheiden à positie van het hoofd van het gezin versterkt à versterking bezitsindividualisme.
Conclusie
Steden ontstaan door verzet tegen feodale heersers. Maatschappij gebaseerd op gelijkheid en verdienste. Nieuw kapitalisme à calculerende mentaliteit à nieuwe opvattingen tav winststreven, bezit, arbeid en tijd = belangrijk verschil tussen Europese – buiten-Europese gebieden.
Calculatie, secularisering en calvinisme
De Renaissance
Vooral in W.Eur. Het individu werd aan Gods almacht en aan kerkelijke en traditionele invloeden onttrokken à individualisme, gelijkheidsstreven en meritocratische opvattingen. In de virtù (patriottisme, deugd, moed en zucht naar roem) samenballing van deze elementen van de burgerlijk-kapitalistische mentaliteit. Zelfvertrouwen en waardigheid niet ontleend aan stand of status, maar aan individuele prestaties. Stimulering van de calculerende mentaliteit: berekening van staatsbelang (raison d’etat). Nieuw mens- en wereldbeeld: door eigen onderzoek (empirie) en redenering (rationalisme) de wereld ‘in hun greep krijgen’, ontdoen van magisch-religieuze interpretaties. Dit versterkte de utilitaire en calculerende mentaliteit, waarmee de basis gelegd werd voor het systeemdenken.
De Verlichting en het systeemdenken
Idee van wetmatigheid van natuur en samenleving, gedachte dat alles calculeerbaar is, wetten onderzoeken en gevolgen voor gedrag berekenen à wereld verbeteren. Theïstische God van de religie vervangen door de deïstische God van de filosofie (God is ingenieur in ruste). 18e eeuw: systeemdenken in economie. Fr: fysiocratie; Eng: klassiek economisch denken. Niet-religieuze, materialistische moraal. Aartsvader van het Franse economische denken: Quesnay (1694-1774), intérêt calculé. Verschil tussen hem en andere verlichtingsfilosofen: de laatsten gingen uit van het natuurrecht, Quesnay ging uit van het gecalculeerd individualisme: politiek maatschappelijke orde berustte niet op een goddelijke ordening, maar op een systematische ordening van bestaansmiddelen. De betovering van de geordende samenleving bestaat uit het feit dat ‘iedereen meent voor zichzelf te werken, terwijl hij in feite voor een ander arbeidt’. Vgl Adam Smith (1723-1790): een individu wordt bij de behartiging van zijn eigenbelang geleid door ‘an invisible hand to promote an end which has no part of his intention’. Van de christelijke gedachte van de mens als werktuig Gods werd de mens een marionet in een redelijk en nuttig systeem. 18e eeuwse economen analyseerden en systematiseerden de werking van het marktmechanisme. God werd weggeredeneerd. Antiek-Griekse, intellectuele secularisering met het stempel van hybris (overmoed): de wetenschappelijke behoefte om de goden hun geheimen te ontfutselen en daarmee de wereld te beheersen. Bv Prometheus ontstal Zeus het vuur, Ikarus probeerde naar de zon te vliegen, Dr. Faust sloot een pact met de duivel. Deze mythische vertellingen dragen de suggestie in zich dat de Europese afwijkingen van het Algemeen Menselijk Patroon, met zijn rationalisme en wereldbeheersing, op de goden bevochten moest worden. Deze mythen bevatten daardoor een anti-religieuze strekking.
Het calvinisme
Weber zag religie niet als belemmering, maar als 1 vd belangrijkste oorzaken van de Europese afwijking, mn het calvinisme. Bracht onder grote, brede massa een mentaliteitsverandering teweeg. Mens heeft drie mogelijkheden in zijn verhouding tot de wereld: wereldvlucht, aanpassing en wereldbeheersing. Vlucht uit de wereld in mystiek en contemplatie: hoog ontwikkelde vormen van hindoeïsme en boeddhisme. Aanpassing: meer volkse vormen van boeddhisme, hindoeïsme, taoïsme en het Chinese confucianisme: acceptatie van de wereld, verlangen naar harmonie mbv magie, riten of praktische leefregels. Wereldbeheersing: jodendom en christendom; het afzien van magie en speculatie en een visie op de mens als werktuig Gods verleenden aan joden en christenen een drang tot wereldbeheersing en –verbetering. Geen elitegedrag van monniken uit de ME, maar midden in de wereld in dagelijkse bezigheden: tegenover ausserweltliche Askese van de middeleeuwse monniken plaatste Weber de innerweltliche Askese van de calvinist. Rationele en calculerende activiteit in de wereld. Het behoud van het ascetische soberheidsideaal in rijkdom en succes maakte de voorbeschikking voor het eeuwige heil nog duidelijker. Het geloof in de zondigheid van de wereld doorbrak de middeleeuwse ordo-gedachte. Daarin werd de gehele schepping hiërarchisch geordend en werden hemelse en aardse creaturen als verwante geestelijk-stoffelijke schepselen beschouwd. De doorbraak van die hiërarchie door de constructie van tegenstellingen tussen geest en stof, goed en kwaad legde de basis voor meer egalitaire kerkelijke en maatschappelijke verhoudingen. Al het stoffelijke was zondig.
Door het calvinisme veranderde ook de visie op arbeid. Middel tot zelfheiliging. Romein zocht oorsprong in handelskapitalistische ontwikkelingen in de stad, Weber wijst het calvinisme als bron aan. Weber: causale relatie tussen calvinisme en calculatie: geen menslievendheid, maar gedisciplineerde strijd tegen zonde, armoede en ellende; spaarzaamheid grotere deugd dan caritas. Rijkdom gevaarlijk voor zieleheil, maar ook een uitdaging en middel tot ascese. Leidde tot verzakelijking van het wereldbeeld en een utilitaire opvatting van de betrekkingen met de medemens. Het calvinisme leverde aan de kapitaalbezittende ondernemer een ethisch fundament voor zijn zakelijke bedrijfsvoering. De Weber-these: het calvinisme functioneerde als de voedingsbodem voor de ontwikkeling van een utilitaire/individuele bezitsopvatting, een egalitair-meritocratische maatschappij-opvatting, een calculerende mentaliteit en het systeemdenken.
Conclusie
Rationaliteit doorgedrongen tot in de brede massa van gewone gelovigen. De calculerende zakelijkheid van de gewone burger, het gematigde, beperkte en praktische rationalisme dat afziet van wereldomspannende plannen is volgens Weber de drager van het moderne, rationele kapitalisme.
Ondanks de grote onderlinge verschillen hadden Renaissance en Reformatie de ondermijning van gevestigde autoriteiten tot gevolg, mn gezag van kerk en paus. De Reformatie bracht dit tot stand door introductie van innerweltliche Askese, het zelfstandig-individueel bijbelonderzoek en een meer democratische kerkorganisatie. De Verlichting realiseerde het door alles onder de kritiek van de ratio en het empirisch onderzoek te stellen.
Engeland sneller dan Frankrijk
Engeland, ‘bovenbouw’: puritanisme; ‘onderbouw’: ontwikkelingen op het platteland. Geen groot verschil tussen Eng en Fr in stedelijke ontwikkeling. Tawney (Eng.historicus) ziet relaties tussen de economische ontwikkeling van de steden en de puriteinse waarden.
Het puritanisme
Tawney verbindt de urbane met de religieuze argumentatie. In steden opbloei individualistische mentaliteit, onderdrukt door Engelse overheid door middel van mercantilistische maatregelen (bv het vergeven van monopolies), ondersteund door de Anglicaanse kerk. Puriteinen niet alleen anti-mercantilistisch, maar ook individualistisch. Zij verlangden scheiding van economie en religie. Tawney tegenover Weber: invloed van calvinisme niet direct, maar indirect. Het calvinisme deed niet de burgerlijk-kapitalistische houding ontstaan, maar rechtvaardigde en versterkte deze slechts, dus een katalysator van wat er al was. Bijdrage van het puritanisme aan de secularisering. Secularisering ontnam aan het economisch denken allerlei religieuze en traditionele remmen, zoals het renteverbod en het collectivisme.
Rol van calvinisme in Frankrijk (hugenoten) veel geringer. Politiek en religieus geïsoleerd. Kon veel moeilijker een mentaal-culturele invloed op het geestelijke en economische klimaat uitoefenen. In Engeland raakte de politieke rol na 1660 uitgespeeld, maar in sociaal en religieus opzicht bleef het een factor van betekenis. vroege industriëlen hadden een puriteinse mentaliteit.
Ontwikkelingen op het platteland
Kapitalistische ontwikkelingen in de landbouw in Engeland. Tijdgenoten (bv Fortescue) constateerden al grote verschillen tussen Eng en Fr boeren. Verschil in rechtspositie: in Eng allodiaal, in Fr seigneuraal. De dorpsgemeenschap was ook een belemmering in de autonome beschikking over eigendom. Macfarlane (Eng.historicus): belemmeringen verdwenen in de 13e eeuw à bevordering bezitsindividualisme en egalitair-meritocratisch denken. Volgens hem is bezitsindividualisme een van de belangrijkste mentale voorwaarden voor een kapitalistische mentaliteit. In Eng was al vroeg de peasants-maatschappij verdwenen. Levendige handel in grond. Particulier bezit werd niet koste wat kost binnen de familie gehouden. Men was niet aan grond gebonden à grote geografische mobiliteit. Weinig behoefte aan grote gezinnen, sparen had grote prioriteit, (bv voor kopen grond, inhuren arbeidskrachten). Macfarlane brengt dus (itt Tawney) de rationele, ascetische levenshouding niet in verband met de urbane leefwereld en de protestantse religie, maar met de structuur van het agrarisch bedrijf en het economisch handelen.
In Fr voortbestaan van kleine boeren en keutermentaliteit. Continuering collectivisme à ouders en kinderen sterk van elkaar afhankelijk. Geen alternatieve bestaansgrond, geografisch immobiel, economisch gebonden aan het huishouden.
Macfarlane vult Weber en Tawney aan: Weber wees al (naast het calvinisme) op het belang van het kerngezin tegenover het familiale huishouden. Tawney kende het puritanisme slechts een katalyserende werking toe en zocht de oorsprong van de b-k-mentaliteit in het economisch handelen zelf, vooral in de stad. Macfarlane wijst erop dat die mentaliteit niet alleen bij stedelingen, maar ook bij plattelanders gevonden wordt. Macfarlane wijkt af van Weber en Tawney: niet in het 16e en 17e eeuwse Europa, maar in het 13e eeuwse Engeland moeten de bronnen van de b-k-mentaliteit gezocht worden. Lijkt aan de vroege kant, maar neemt niet weg dat in Eng het bezitsindividualisme eerder begon en dat de basis breder was dan in Fr. In Fr meer in de steden, in Eng ook op het platteland.
Bezitsindividualisme betekent ook verlies van empathische bezitsbeleving. Daarvoor in de plaats utilitair en kapitalistisch denken. Juist op het platteland. Industriële ondernemers waren afkomstig van het platteland.
Een agrarisch ontwikkelingsplan
Franse fysiocraten in de 18e eeuw vermoedden al dat de economische achterstand van hun land tov Eng alleen met rigoreuze landbouwhervormingen ingelopen kon worden. Overeenkomsten tussen Eng en Fr economen: basis van welvaart is een surplusproductie die langs kapitalistische weg tot stand komt en via een vrije markt wordt gedistribueerd. Mensen en goederen gezien in het licht van hun economisch nut. Verschillen: Eng: iedere vorm van kapitalistische productie leidt tot surplusvorming. Fr: alleen de landbouw is echt productief. Landbouw moet gemoderniseerd worden. Het fysieke surplus in de landbouw (de hoeveelheid graan die geoogst wordt is groter dan de hoeveelheid die gezaaid is) kon omgezet worden in een waardesurplus. Probleem: de politieke structuur frustreerde het waardesurplus door de hoge belastingdruk op de boeren en door de invloed van de overheid op de broodprijzen (hongerbestrijding). Fysiocratische roep om vrijhandel (laissez faire, laissez passer). Wilden ook de maatschappelijke gelaagdheid op juridische basis afschaffen, dus tegen de standensamenleving. Daarvoor in de plaats: gelaagdheid naar economische functie. Klassen: classe productive en classe stérile (productie: de agrarische ondernemers, en consumptie: andere ondernemende klassen). In Eng klasseverschil tussen alle kapitalisten (dus niet alleen de agrarische) en loonarbeiders. Dus in Eng modern kapitalisme, in Fr agrarisch kapitalisme.
Beperkte rol voor Franse fysiocraten door weifelende houding van de vorsten tav hervormingen. Direct gevolg alleen toename van aantal enclosures. Dus niet zozeer aandacht aan fysiocratisme vanwege praktisch effect, maar vanwege het aantonen van de achterstand van Fr op Eng in mentaal-cultureel opzicht. Een aantal Fransen zag deze achterstand en wilde deze inlopen.
Conclusie: blz. 131
Conclusie hoofdstuk 1 t/m 5: blz. 132-134
Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland
Winnie de Keizer (2002)