Het Ontstaan van Industriële Samenlevingen

Duitsland: Sociaal- economische voorwaarden

 

Drie vragen: Waarom later? Op welke wijze achterstand ingelopen? Hoe de snelle ontwikkeling na 1870 te verklaren?

Sociaal-economische voorwaarden voor industrialisatie:

Periode tot 1800: een achterblijvende vraag

De bevolkingsontwikkeling

Verband bevolkingsgroei en economische ontwikkeling: te snelle groei ongunstig: overbevolking à lage levensstandaard à geringe koopkrachtige vraag, minder investeringen; lage loonkosten geven geen prikkel tot productievernieuwingen. Gunstig is een gestaag, maar niet te snel groeiende bevolking.

In D teruggang in 17e eeuw, gevolg van de 30-jarige oorlog (1618-1648), van 16 milj. naar 10 à 11 milj. Bevolkingsgroei na 1750. Regionale verschillen in bevolkingsdichtheid: muv Saksen in het oosten het laagst; in westen en zuidwesten (rond 1800) overbevolking à te weinig grond voor iedereen. Lage koopkracht, weinig ruimte voor investeringen, groot en goedkoop arbeidsaanbod waardoor de prikkel tot mechaniseren aan ondernemerszijde ontbrak.

De landbouw

Feodale arbeidsverhoudingen. Ten oosten van de Elbe: lijfeigenschap, boeren onvrij (erfelijk gebonden aan grond), verplicht herendiensten te verrichten. Landheer ondernemer met groot landgoed; grond niet verpacht. Boeren niet opgenomen in geldeconomie. Ten westen van de Elbe: boeren vrij, maar betaalden pacht en allerlei afdrachten aan de landheer in geld, dus boeren wel opgenomen in monetaire economie. Effect feodaliteit: geringe koopkracht bevolking; belemmering modernisering. Weinig impulsen tot vernieuwing in landbouw. Ook van de kant van de adel niet: in het westen leidde de adel een renteniers-bestaan, in het oosten werden de Junker door de onvrije en dus goedkope arbeid niet gestimuleerd tot verbeteringen. Ook werkte de handhaving van traditionele, communale landbouwpraktijken belemmerend.

Productie nam wel toe in de 18e eeuw dankzij uitbreiding van het areaal, vooral in Pruisen. Maar arbeids-productiviteit in de landbouw lag lager dan in Eng en Fr.

Handel en infrastructuur

ME + 16e eeuw: West- en Zuid-West-D belangrijke schakel in wereldhandelssyteem: handelroute over land van Italië naar Vlaanderen. Noorden: Hanzesteden. Na 1550 achteruitgang buitenlandse handel. Binnenlandse handel bemoeilijkt door geografische situatie. Geen vervoer over zee. Door staatkundige fragmentatie werd handel bemoeilijkt (tollen, in-uitvoerrechten). Gevolgen: door beperkt contact met wereldmarkt geen buitenlandse afzetmarkten. D had geen kolonies. Ontbreken van geïntegreerde binnen-landse markt, groot aantal autarkische markten, dus weinig arbeidsdeling en specialisatie stad-platteland en tussen regio’s. Dus geen bloeiende handelssector à negatief resultaat op ontwikkeling steden.

Steden en stedelijke nijverheid

Tot 1550: In Eng, Fr en D woonden ongeveer evenveel mensen in steden. Rond 1800: % van de bevolking woonachtig in steden in Eng en Fr wel toegenomen, in D niet. Door: stagnatie in de handel, 30-jarige oorlog; sterke invloed van de gilden (= specifiek Duits), hadden sterke economische en politieke machts-positie à verzet tegen verlenen burgerrechten nieuwe inwoners en tegen introductie van technische vernieuwingen. Omvang nijverheid in steden laag (behalve in Berlijn en München). Dus ook weinig vernieuwingsimpulsen tgv de landbouw vanuit steden, mede door geringe vraag naar voedsel à inkomen boeren bleef laag à weinig vraag naar nijverheidsproducten.

Proto-industrie en mijnbouw

Na 1750 opbloei nijverheid op platteland. Textielnijverheid in Silezië (veroverd in 1740 op Oostenrijk). Linnen. Huisnijverheid gestimuleerd door plaatselijkelandheren en Pruisische overheid (belasting). Mercantilistische steunpolitiek: oprichten spinscholen, gunstige voorwaarden voor immigranten, toezicht op kwaliteit, prijs en aanbod. Ook mijnbouw (steenkool, ijzererts) en ijzerproductie in Silezië, vooral door de staat. Engelse experts hierheen gehaald, gingen ook aan de slag bij particuliere bedrijven.

Saksen: omvangrijke nijverheid in 18e eeuw. Dichtstbevolkte regio rond 1800. Ruraal proletariaat werkte in nijverheid. Saksen beschikte over natuurlijke hulpbronnen (steenkool, ijzererts, hout, waterkracht) à bloeiende metaalnijverheid. Geschoolde arbeidskrachten uit Bohemen. Geen overheidsingrijpen: particuliere kooplieden-ondernemers en klein aantal grootgrondbezitters.

Rijnland-Westfalen: steenkool en wol ten westen van de Rijn. Ten oosten van de Rijn ijzer en textiel. Gedecentraliseerde productie: huisnijverheid, kleine werkplaatsen. Land ongeschikt voor landbouw, meer geschikt voor nijverheid: snelstromende riviertjes (waterkracht), bos (hout als brandstof). Ligging gunstig, vervoer via de Rijn. Geen actieve overheid.

Productieprocessen bleven gebaseerd op bestaande technieken. Mechanisatie in textielnijverheid en cokesovens ipv houtskoolovens zoals in Eng hier niet nodig. Bottlenecks in Eng: toegenomen vraag, knelpunten in aanbod. In D niet: grote houtvoorraad, waterkracht. Productieverhoging door meer personeel in dienst te nemen. Arbeidsaanbod door bevolkingsgroei goedkoop en overvloedig. Binnenlandse vraag gering door lage graad van specialisatie en lage koopkracht. Dus aan de vraag kon met handhaving van de bestaande productietechnieken voldaan worden.

Een voorlopige balans

Wel aanwezig: voldoende kapitaal, ondernemingsgezindheid en managementervaring (zie de expansie van de proto-industrie). Probleem was het gebrek aan bereidheid te investeren in machines en fabrieken. Kapitaal werd belegd in staatsobligaties, grond of traditionele vormen van nijverheid. Kwam doordat geld in handen was van mensen die niet geïnteresseerd waren in nijverheid, bv de adel. Technologische know-how ook voldoende aanwezig. In steden innovaties tegengehouden door gilden. Op platteland, in mijnbouw en de ijzerfabricage werden Engelse innovaties toegepast. Grondstoffen aanwezig. Wel gebrekkige infrastructuur à transport moeizaam en duur, verergerd door tollen en tarieven. Alleen renderend om op steenkool over te stappen daar waar het voorhanden was. Geen goedkope aanvoer van katoen à vertraging in overschakeling van wol en linnen naar katoen, welke zich ook minder goed leenden voor mechanisatie. Arbeidsaanbod: landbouw ‘verzadigd’ à verborgen werkeloosheid op platteland à arbeidsreserve, beschikbaar voor nijverheid. Hoge scholingsgraad. Probleem: beperkte mobiliteit. Lijfeigenen in het oosten gebonden aan de grond; in het westen werd de trek naar de steden belemmerd door de gilden. Wel veel marginale boeren, maar geen omvangrijk en mobiel proletariaat (gemene gronden).

Er was dus voldoende kapitaal, op het platteland een groot arbeidsaanbod, voldoende managementervaring en ondernemingsgezindheid. Steenkool en ijzererts, alleen aanvoer katoen problematisch. Probleem zit in de vraagzijde. Binnenlandse vraag beperkt door zwakke koopkracht van de boeren. Markt sterk verbrokkeld; interregionale handel belemmerd door grenzen en tollen. Inkomen boeren lokaal besteed à arbeidsdeling en regionale specialisatie vertraagd. Stagnerende bevolkingsontwikkeling (30-jarige oorlog) versterkte het achterblijven van de vraag, stelde productievernieuwing uit. Buitenlandse vraag ook beperkt: geen kolonies of andere gegarandeerde markten. Exportproduct: linnen, leende zich slecht voor mechanisatie.

Dus eigenlijk één sociaal-economische voorwaarde niet vervuld: de aanwezigheid van een vraag die de bestaande productiemethoden onder druk zet. Ondernemers investeerden niet in machines en fabrieken omdat het productieplafond in de huisnijverheid en de manufactuur nog niet was bereikt. De vraag kon eind 18e eeuw nog vervuld worden mbv oude productietechnieken, temeer omdat de traditionele energie-bronnen (hout en water) nog niet uitgeput waren.

1800-1870: van ‘take-off’ naar ‘sustained growth’

Tussen 1845 en 1870 ligt de take-off van de D industrialisering. Doorbraak agv ontwikkelingen in handel, infrastructuur en kapitaalvoorziening. Periode daarvoor: Franse tijd (1793-1813) belangrijke breuk.

De landbouw

Franse tijd: hervormingen op platteland: boeren vrij, veranderingen in eigendomsverhoudingen verliepen wel traag, dus gevolgen van hervormingen op korte termijn beperkt. Op langere termijn: boeren hielden te weinig grond over om van te leven (afkopen van afdrachten en diensten met grond) à toename groot-grondbezit adel in het oosten. Ipv lijfeigenen werden boeren hier Insten (in schulden geraakte boeren). Ten westen van de Elbe: hervormingen later op gang, gevolgen minder groot. Garanties gegeven voor voortbestaan kleine boerenbedrijven. Oosten: na 1830 gemene gronden in particulier bezit, ontgonnen. In het westen bleven de open fields bestaan. Forse productietoename door uitbreiding areaal. Laatste crise du type ancien in 1845-47. Vóór 1845 geen agrarische revolutie in D. Besteedbaar inkomen bleef laag. Dus niet de vraag naar consumptiegoederen gaf de doorslag voor de take-off naar industrialisering.

Handel en infrastructuur

Twee ontwikkelingen van groot belang: oprichting Zollverein in 1834 en de aanleg van spoorwegen vanaf 1835. Transportkosten gingen omlaag. Voldoende kapitaal voor aanleg spoorwegen (uitgifte aandelen). Rol van de overheid: staat gaf aandelen uit, gekocht door particulieren. Zuidduitse staten (Beieren, Württem-berg en Baden): staatsbemoeienis had 2 motieven: integratie eigen grondgebied en bron van inkomsten. Er werd niet op gelet of belangrijke economische regio’s met elkaar verbonden werden. Geen spoorlijnen om eigen gebied te verbinden met buurstaten à integratie van de markt vertraagd. Pruisen: rond 1850 lag de helft van het spoorwegnet op Pruisisch grondgebied. Initiatief bij particuliere ondernemers. Bureaucratie eerst vijandig tav spoor. Vanaf 1870 ging de Pruisische overheid over tot het opkopen van bestaande particuliere spoorbanen. Gevolgen aanleg spoorwegen: verbetering transport; daling prijzen grondstoffen, fabrikaten en halffabrikaten. Keuze van locatie voor bedrijf niet meer afhankelijk van nabijheid steenkool- en ijzerertslagen. Explosieve toename van vraag naar ijzer, staal en steenkool à uitbreiding mijnbouw en zware industrie na 1840.

Industriële concentraties

Tot 1840 groei nijverheid in gebieden die ook in de 18e eeuw de toon hadden aangegeven: Saksen, delen van Rijnland-Westfalen en Silezië. Na 1850 opkomst Ruhrgebied: goede steenkoollagen aanwezig. Rijn en spoorweg in de buurt. Aansluiting op kanalen. Ligging dichtbij oudere nijverheidscentra langs Rijn en Wupper à geen problemen om aan arbeiders te komen.

Kapitaalsvoorziening

Financiering nieuwe bedrijven tot 1850: uit persoonlijke investeringen van oprichter, familie en vrienden. Geen subsidies van overheid. Grootgrondbezitters investeerden niet in de industrie. Kapitaal uit handel. Bankiershuizen verstrekten leningen. In deze 1e fase ging het dus om direct contact tussen kapitaal-verstrekker en ondernemer, gebaseerd op persoonlijk en wederzijds vertrouwen. Geen sprake van kapitaalschaarste; men deed risicomijdende investeringen. Na 1850: verbeteringen in kredietwezen en kapitaalmarkt: naamloze vennootschap (Aktiengesellschaft), mede dankzij nieuwe wetgeving; ook banken werden in nv-vorm opgericht, de investeringsbanken. Meer kapitaal beschikbaar voor industrie: bij de nv is men beperkt aansprakelijk in geval van faillissement. Investeringsbanken zorgden voor bundeling van kleine spaarvermogens. Banken speelden grote rol bij industrialisering: zwaartepunt bij zware industrie, die niet gefinancierd kon worden dmv het terugploegen van winsten zoals in de textielnijverheid. Rol van banken eerst vooral groot in ijzer- en staalindustrie, na 1870 ook in de elektrotechnische.

Een terugblik

Geen agrarische revolutie voorafgaand aan ‘industriële revolutie’. Ondanks afschaffing lijfeigenschap bleef productiviteit laag. Steeg wel à groeiende niet-agrarische beroepsbevolking gevoed. Inkomens stegen niet, totale vraag wel (gevolg van bevolkingsgroei). Vraag naar consumptiegoederen niet de aanjager van de take-off. Vraag naar ijzer, steenkool en machines door spoor. Kapitaal via nv’s en investeringsbanken.

Drie knelpunten:

1870-1914: de eindsprint

Econoom Rostow: sustained growth. Opkomst andere sectoren à gevarieerde productiestructuur. Vanaf 1870 opkomst chemische en elektrotechnische industrie. Toepassing wetenschappelijke kennis. Verklaring: goed onderwijs, respect voor wetenschap. De ‘wet’ van de stimulerende achterstand: bv in Fr hield men vast aan oude procédés, in D sloeg men direct nieuwe wegen in. Ook de textiel- en consumptiegoederen-industrie raakte in stroomversnelling, gevolg van de stijging van het reëel inkomen na 1870. Lonen in industrie verdubbelden. In de grondstoffenschaarste kwam verandering door de oorlog met Fr à D kwam in het bezit van Elzas-Lotharingen (rijke ijzerertsvoorraden). Arbeidsaanbod hoog door bevolkingsgroei en immigratie, ondanks omvangrijke emigratie naar Amerika. Minder tekort aan geschoolde arbeiders door scholing in of buiten het bedrijf. Typisch voor Duitse industrialisering: kartelvorming: prijsafspraken, productiequota à indamming concurrentie. 1907: 25% vd totale productie in mijnbouw en industrie afkomstig van bedrijven, aangesloten bij kartels. Meest vergaande vorm van samenwerking tussen bedrijven met het oog op beheersen vd markt: verkoopsyndicaat. Effecten kartels: winsten liepen hoog op door onderlinge prijsafspraken. Monopolie-organisaties: als gevolg van het uitschakelen van onderlinge concurrentie werd inefficiënte productie soms in stand gehouden. Kunstmatig hoge prijzen waren ongunstig voor andere industrieën. Dus zowel voor- als nadelen.

Conclusie: blz. 205-6


| Index | Geschiedenis | Industriële Samenlevingen | Vorige | Volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

Winnie de Keizer (2002)