Het Ontstaan van Industriële Samenlevingen

Duitsland: Mentaal- culturele voorwaarden

 

Inleiding

3 verschillen tussen Duitse en West-Europese industrialisering:

Na crisis van 1873 van concurrentiekapitalisme naar georganiseerd kapitalisme (oligopoli + staats-interventie), ging gepaard met verandering van mentaliteit. In D weerstanden tegen modernisering. Conservatief-kapitalistisch compromis: acceptatie van calculerende mentaliteit, adaptatie van bezits-individualisme en systeemdenken + verwerping vd egalitair-meritocratische maatschappijopvatting. Geen vrije concurrentie, dus geen mechanisch systeemdenken, maar organologisch systeemdenken. Bezits-opvatting niet individualistisch, niet in termen van gelijkheid en verdienste. Erkenning van ongelijkheid tussen standen en staten. Wel calculerende mentaliteit bij bureaucratie.

Traditie en vernieuwing vóór 1800

De stad

Betekenis steden voor ontstaan van burgerlijk-kapitalistische mentaliteit: Weber: in ME geldt voor alle Europese steden dat zij vrije, autonome, zichzelf besturende stadscommunes waren, waarvan de burgers zich aan de feodale banden ontworsteld hadden. Status ontleend aan economische positie. Rationeel kapitalisme (ipv ‘buit’- en antikapitalisme). Zie de vorming van een burgerlijke bovenlaag van kooplieden-ondernemers (Verleger, lakenproductie en –handel, de Fuggers). In de 17e en 18e eeuw brokkelde de burgerlijk-kapitalistische mentaliteit in D af. Oorzaak: monopolieposities van ondernemingen à ontstaan van stadspatriciaat in vrije rijkssteden (bv Hamburg, Bremen, Frankfurt): steden met sterke standen-hiërarchie à geen gelijkheidsgedachte. ‘Gewone’ steden (onderworpen aan gezag van de staat, bv Pruisen, Beieren, Oostenrijk): calculatie en systeemdenken bij bureaucratie, maar ook hiërarchisch denken. Heimatstädte: steden, niet onderworpen aan sterk centraal gezag, produceerden voor lokale markt; ‘middelmaatsdenken’, persoonlijke ambities taboe. Centrale plaats voor ambacht. Grenzen aan sociale mobiliteit gesteld door gilden. Niet persoonlijke verdienste, maar status en stand bepaalden plaats op sociale ladder. Scherpe tegenstelling tussen burgers en niet-burgers. Drie vijanden van het kleinsteedse middelmaatsdenken: de kooplieden-entrepreneurs (bedreiging vd gilden dmv Verlag-systeem); het stadspatriciaat; machtige staatsambtenaren. Deze groepen hadden gemeen dat zij voor hun welvaart niet aan de stad waren gebonden. Inkomsten gebaseerd op grondbezit, handel en nijverheid of staatssalarissen; ontvankelijk voor bezitsindividualisme. Burgers Heimatstädte afhankelijk van gilden en stadsbestuur à geen volledig rationele en utilitaire tijds- en arbeidsbesteding, geen calculerend winststreven.

Tegenstelling bourgeoisie-Mittelstand zeer scherp: als kooplieden-entrepeneurs hielden de hogere burgers zich meer aan de wetten van de markt dan aan gildebepalingen; als ambtenaren waren ze meer gebonden aan formeel geregelde staatsbelangen dan aan op patronage gebaseerde stadsbelangen.

Het platteland

Huwelijkspatroon in D hetzelfde als in Eng en Fr.: er werd laat getrouwd, relatief hoog % ongetrouwden. Kerngezin regel. Dus wel calculatie onder plattelandsbevolking. Voorwaarde: boeren moesten vrij zijn. Ten oosten van de Elbe na 1500: feodalisering, dus geen ontwikkeling burgerlijk-kapitalistische (b-k) -mentaliteit. Ten westen: boeren wel vrij, maar onderworpen aan heerlijke heffingen. Dus weinig sociale en geografische mobiliteit, prikkelde niet tot vernieuwing mbt grondbezit en bedrijfsvoering. Maar door commercialisering van de landbouw in de 17e eeuw toch wel enige b-k-mentaliteit. Gebieden rond Oostzee: graanschuur van West-Europa à onder Oostelbische adel bezitsindividualisme en calculatie à introductie pachtverhoudingen. Verschillen Duitse (Junker) en Engelse adel: bleven met lijfeigenen werken, militaire taken à verwaarlozing grondbezit. Meeste adel had weinig opleiding. Gesloten karakter van Duitse adel. Kortom: de b-k-mentaliteit was eind 18e eeuw onder het grootste deel van de Duitse adel zeer zwak ontwikkeld.

De staat

Itt het traditionalisme van stad en platteland stond de progressiviteit van de ambtenaren. In Pruisen standenstaat omgebouwd tot absolutistische staat. Ambtenaren-beroepsstand afhankelijk van de vorst. Bureaucratie rationeel. Maar adelsheerschappij nog sterk en ook het absolutisme werkte nog met gunstelingen. Dus ambtenaar zocht rechtszekerheid, verbond hem met de voor de markt producerende bourgeoisie (vnl Verleger). Beide groeperingen wilden scheiding van bestuurlijke en rechterlijke macht, streefden naar rechtsgelijkheid. Dus ambtenaren streefden naar calculatie, planning en systeemdenken.

Overheersend traditionalisme. Egalitair-meritocratische maatschappijopvatting zowel in de stad als op het platteland nauwelijks aanwezig. Standsdenken. Vier progressieve groeperingen: ambtenaren, Verleger, Junker die voor de markt produceerden en beperkt aantal intellectuelen (Bildungsbürger).

Traditie en verniewing in het christendom

Het katholicisme

Remmende werking van het katholicisme op b-k-denken. Gilde-economie kwam overeen met denkbeelden van de kerk. RK-kerk antikapitalistisch: arbeid minder gewaardeerd dan onder protestanten. Beroep en arbeid zondig, geen middel om in de hemel te komen, wel armenzorg en liefdadigheid. Reactionaire katholieke intellectuelen antimodern: tegen vrije vestiging en vrij verkeer. Veranderde pas in de 2e helft vd 19e eeuw.

Het protestantisme

Protestantisme vergemakkelijkte het doorbreken van nieuwe waarden. Minderheid calvinistisch. Onder ondernemers was een groot percentage protestant.

Het lutheranisme

Gunstige voedingsbodem voor egalitair-meritocratisch denken door democratisch karakter van lutheranisme (vooral in de piëtistische variant). Arbeidsethos: beroepsuitoefening van zondigheid ontdaan, instrument tot zelfheiliging. Opvoeding en onderwijs belangrijk. Het idee van individuele zelfontplooiing verbond het lutheranisme met Aufklärung en liberalisme. Dus in lutheranisme en calvinisme ontwikkeling van b-k-mentaliteit. Verschil tussen beide stromingen: beroepsheiliging leidde bij de lutheranen niet tot persoonlijk succes, maar diende bij te dragen aan het welzijn van de gemeenschap. Lutheraans arbeidsethos kreeg meer de betekenis van dienstverlening aan anderen. Onderschikken aan de wensen van het collectief.

Geen lijdzame houding tov de overheid. Pas na 1848 onderdanigheidscultuur (Weber). Maar lutheranisme wel pluriform: er waren onder hen romantische conservatieven en verlichte liberalen, gunstige voedingsbodem voor het specifiek Duitse georganiseerde kapitalisme dat vanaf 1880-90 onstond.

Dus katholicisme een rem, het calvinisme een stimulans, het lutheranisme een versterker in beide richtingen voor de burgerlijk-kapitalistische mentaliteit.

Verlichting en Romantiek

Adam Smith en de fysiocraten in Duitsland

Duitse variant van de Verlichting: Aufklärung. Bijdrage aan b-k-denken: calculatie, gelijkheids- en systeemdenken. Vooral Bildungsbürger hingen gelijkheidsidealen aan. Gewantrouwd door conservatieve adel, stedelijke regenten en (klein)burgers. Klassieke economen (Quesnay, Smith): idee van vrij markt-mechanisme centraal; rationalisering economie; opheffing handelsbarrières. Verschil West-Eur-D. verlichting: in W.Eur. relatie tussen economische denkbeelden en markteconomische behoeften, in D niet. Hier waren niet de economisch actieven geïnteresseerd in de werking van de economie, maar staat, bureaucratie en Bildungsbürger. Pruisen ontvankelijk voor laissez faire-leerstellingen. Tot 1820 was de invloed van Engelse vrijhandelsdenkbeelden in D onmiskenbaar, zie de boerenbevrijding en de stedelijke bestuurshervormingen van Vom Stein en Von Hardenberg.

Adam Müller tegen de ‘Anglisierung des Denkens’

Vrees voor afhankelijkheid van het buitenland. Rond 1800 ontstond een antimodernistische tegenbeweging olv Adam Müller (1779-1849). Smith: utilitair-individualistische bezitsopvatting; Müller: sociaal-organologische. Bezitter en bezit hebben levende relatie, bezitter had bezit in leen à bezit gesocialiseerd en gehistoriseerd (in het bezit heden en verleden verbonden). Afwijzing van calculerende benadering van economisch handelen. Geld had ook symboolwaarde, product van communicatie tussen leden van een gemeenschap. Smith: internationalisme vd markt; Müller: nationalisme van de volksgemeenschap. Bestrijding gelijkheidsdenken. Arbeidsverdeling = door Goddelijke voorzienigheid gecreëerde taakverdeling tussen standen: Wehr- (adel: bestuur en leger), Nähr- (boeren: voedselvoorziening), Verkehr- (handel en transport) en Lehrstand (geestelijke verzorging en onderwijs). Tegenpool van de b-k-mentaliteit. Tegen gelijkheidsdenken en verheerlijking van persoonlijke verdiensten; tegen kwantitatief-calculerende bezitsconceptie. Voor een standsgebonden bezits- en maatschappijopvatting en kwalitatief-feodale benadering van de wereld. De historisch gegroeide staat en de natie bepaalden het economisch handelen. Een element uit het b-k-denken bleef intact: het systeemdenken. Economie = organisch samenhangend geheel; de staat droeg deze samenhang, dus kameralistische trekjes.

De tegenstellingen verspreiden zich (1800-1850)

De staat

Pruisen, edict van 1807 van Vom Stein: bevrijding boeren, afschaffing feodale bezitsverhoudingen (= b-k-element). Von Hardenberg kwam in 1811 met hervormingen die beginselen van gelijkheid en verdienste moesten introduceren. Tegengewerkt door conservatieve adel en gilden. Standenstaat verdween wel, maar klassensamenleving ontplooide zich maar heel geleidelijk. Klassen binnen het kader van de standen-maatschappij. Conservatieve reactie op Reformära (1806-1820) in 1820. In bureaucratie nam burgerlijk element af en het aristocratische toe à tweespalt tussen hervormingsgezinde, burgerlijke ambtenaren en conservatieve, adellijke ambtenaren à liberale economische politiek tov het buitenland, conservatieve binnenlandse politiek. De Zollverein was meer bedoeld als een intern Duits-Pruisisch vrijhandelsgebied dan als bescherming van de Duitse markt tegen Engelse concurrentie. Conservatisme op gebied van financiering door overheid, verbod op handel in buitenlandse obligaties. Grondbezittende adel en conservatieve kapitalisten beschermd. Na 1860 liberaler beleid in Pruisen: olv Bismarck meer steun aan industrie, Gewerbeordnung, 1869: afschaffing gilden.

Het platteland

Tot 1870 bleef het platteland demografisch het belangrijkst. Verspreiding bezitsindividualisme en commercialisering landbouw; liberalisering graanhandel gewenst. Grootgrondbezitters streefden naar rationalisering en marktgerichte bedrijfsvoering. Woordvoerder: Thaer, omschreef landbouw als een onderneming. Liberale denkbeelden. Olv Vom Stein en Von Hardenberg landbouwhervormingen: gemene gronden verdeeld. Verscherping sociale tegenstellingen, doet denken aan Engelse enclosures. Adel verburgerglijkte niet. Aan economische opvattingen geen politieke verbonden. Progressieve Junker waren minderheid, merendeel anti-liberaal.

De stad

Begin 19e eeuw: door hervormingen was de oude tegenstelling tussen bourgeoisie en Mittelstand afgezwakt. Veel latere industriëlen afkomstig uit Mittelstand. Gesloten klasse. Ondernemersklasse maakte zich los van Mittelstand, deze laatste bestond uit intellectuelen, progressieve leden van de vrije beroepen en ambachtslieden. Denkbeelden liberaal, maar niet b-k.: liberalisme school in voorkeur voor Verfassungs-staat (constitutioniele monarchie naar Engels voorbeeld), vrijheid in vorm van corporaties, gilden en andere verenigingen zonder invloed van staat, bureaucratie etc. Afkeer van absolutisme, bureaucratisme en feodalisme. Afwijzing van klassenmaatschappij en radicaal bezitsindividualisme. Verwantschap met romantisch conservatisme.

Antimodern liberalisme in de Heimatstädte, meest conservatief. Afkeer van vrij ondernemerschap. Kleinburgerlijke ideologie verwant met conservatisme van Adam Müller.

Revolutie van 1848: stedelijk-burgerlijk. Ondernemersklasse ontevreden over anti-industrialiseringsbeleid van de overheid. Ontevredenheid onder midden- en kleine burgerij over halfslachtige beslissingen mbt handwerk en gilden. Aristocratisering van de bureaucratie onacceptabel. Tegenstelling tussen voor- en tegenstanders van een b-k-mentaliteit werd door het mislukken van de revolutie van 1848 en vooral door de voorschrijdende industrialisering na 1850 aangescherpt.

Het liberaal-conservatieve compromis na 1850

Conservatieve adel en traditionalistische middenstand: corporatistische samenlevingsconceptie, negatief voor industrialisering. Liberaal-conservatieve adel stond meer open voor sociaal-economische modernisering in b-k-richting. Maar uitwassen zoals in Eng moesten vermeden worden. toenadering tussen ondernemers en adellijke landbouwondernemers: belangen hetzelfde; adel bezat politieke macht via bureaucratie.

Friedrich List

Door toenemende contacten tussen liberaal-conservatieve edelen en liberale ondernemers groeide de belangstelling voor Duitse economen die industrialisering nastreefden zonder Engelse toestanden à los von England-economen. Bv Friedrich List (1789-1846). Voorstander van constitutionalisme en de rechtsstaat; economische modernisering door industrialisering en moderne techniek. Contra Adam Smith. Economische verschijnselen beschouwen in samenhang met politieke situatie. Duitse staat moest een Agrikultur-manufaktur-handelstaat worden: landbouw, handel en industrie op organische, planmatige wijze verenigd. Afwijzing rigoreus bezitsindividualisme. Gelijkheidsdenken niet egalitair-meritocratisch, meer gericht op het voorkómen van de klassenmaatschappij. Zijn ideeën posthuum populair, pas na 1870.

Toenadering tussen adel en bourgeoisie

Rijk geworden burgerlijke ondernemers kochten grond en landhuizen. De bourgeoisie verbeterde haar maatschappelijke status door grotere culturele belangstelling. Adel kreeg meer interesse voor zakelijke ondernemingen. Contacten tussen grootgrondbezittende adel, hoge ambtenaren en ondernemersklasse werden intensiever. Geen egalitair-meritocratisch denken (wortels ondernemers in Mittelstand). Angst voor sociale revolutie dreef liberale burgerij in conservatieve armen. Ondergeschiktheid van het bezit aan het nationale belang voorop.

De conservatief-kapitalistische staat

De staat hielp bij de aristocratisering van de bourgeoisie: Bismarck breidde het aantal burgerlijke ambtenaren sterk uit, maar de sleutelposities bleven in adellijke handen. Zuivering van bureaucratie van liberaal denkende ambtenaren. Sociale status verhoogd door verzwaring studieprogramma. Zo ontstond een conservatieve, sterk hiërarchisch ingerichte bureaucratie die voor het grootste deel uit burgerlijke ambtenaren bestond, maar beheerst werd door de adel met haar anti-liberale ideeën. Wel in staat tot calculerend gedrag en systematisch denken. Ambtenarenmentaliteit overgenomen door een deel van de midden- en kleine burgerij (niet door de handwerkslieden). Middenkader van kantoorpersoneel ging bureaucratie imiteren. Leidde tot versterking standsdenken.

Besluit: blz. 230-1

CONCLUSIES: LAAT, MAAR SNEL blz. 232-239


| Index | Geschiedenis | Industriële Samenlevingen | Vorige | Volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

Winnie de Keizer (2002)