Het Ontstaan van Industriële Samenlevingen

Rusland: Politiek- institutionele voorwaarden

Twee vragen:

Rusland voor 1500: van voorsprong naar achterstand

Eerste Russische staat: het Rijk van Kiev-Roes (800-1100). Voorsprong op Europa door handel met buitenland. Grootvorst was koopman à verband tussen staatkundige en economische macht, karakteristiek voor R. Verval toen de Middellandse Zee weer bevaarbaar werd à rechtstreeks contact W.Eur. met Levant. R viel uiteen in deelvorstendommen, uitzondering Novgorod, Hanze stadstaat. Rond 1100 nog geen blijvende achterstand. Verschil R en het westen: R Grieks-orthodox, niet rk. Geen kennis van de klassieke oudheid. Geen universiteiten. Geen conflict tussen keizer en paus. Wel invloed van Byzantijnse tradities, macht kerk ondergeschikt aan die van de staat. Afwezigheid feodalisme. Adel niet gebonden aan vorst. Geen lijfeigenschap. Na uiteenvallen Rijk van Kiev: Novgorod zelfstandige stadstaat, burgers aan de macht. In andere gebieden nam de macht van de vorst toe. De vorst zag de staat als zijn patrimonium (vottsjina, afgeleid van ‘vader’), vaderlijk erfdeel, onvervreemdbaar bezit. Opkomst aristocratische elite, bood weerstand aan vorst, macht gebaseerd op grondbezit. Deze vermenging van democratische, aristocratische en monarchale elementen laat zien dat R niet in alles afweek van het middeleeuwse westen. Niet het verval van het Rijk van Kiev veroorzaakte de achterstand van R op het westen, maar de Mongoolse overheersing (1250-1450). Door uiteenvallen Rijk geen effectieve verdediging tegen Mongolen. Deze richtten grote verwoestingen aan, land verarmde, bevolkingsgroei stagneerde. Cultureel isolement.

Opkomst Moskou, in 1480 onafhankelijk van de Mongolen. Val van Byzantium in 1453 à de grootvorst van Moskou en de metropoliet van de orthodoxe kerk beschouwden zich als erfgenamen van het Oost-romeinse rijk. Grootvorst – tsaar (van caesar, keizer), metropoliet – patriarch. Moskou ontwikkelde zich als de grootste en machtigste staten van O.Eur. Moskovische autocratie kende al in de 15e eeuw een effectieve en krachtige vorm van gecentraliseerd staatsgezag. Feodalisering na 1650. Russen geen staatsburgers, maar onvrije onderdanen, opgesloten binnen hun stand. Pas veranderd in de 2e helft vd 19e eeuw. Na 1850 verzet tegen autocratie. Pas door de nederlagen in WO I raakte de autocratie in diskrediet, tsaar gedwongen tot aftreden. Daarna Sovjetdictatuur, bestaansgrond gelegen in noodzaak van hervorming en modernisering. (overeenkomsten en verschillen vorstelijk absolutisme R – W.Eur.: opg. 11.2)

Autocratie en modernisering (1500-1725)

Permanente staat van oorlog drukte zwaar stempel op politiek en economie. Middelen voor oorlog uit land en volk. Armoede leidde tot despotie en oorlog en deze hielden weer de armoede in stand. Pas in de 18e eeuw werden machtsaanspraken vd adel ingeperkt, adel kreeg vaste plaats in de samenleving. Compromis adel en tsaar: adel kreeg absolute zeggenschap over boeren. Adel nodig voor leger en inning belastingen op platteland. Boeren voor adel bron van inkomsten. Boeren na 1500 niet meer dan slaven, toenemend aan grond gebonden. Lage agrarische productiviteit. Steden: groei handel en nijverheid geremd door verplichtingen die aan steden werden opgelegd. Weinig sociale mobiliteit. Geen gilden, burgers kregen geen greep op het economisch leven.

Eerste industrieën: ijzer- en wapenindustrie (17e eeuw) = 1e ‘industriële revolutie’. Op initiatief van de overheid: trok buitenlandse experts aan, verschafte kapitaal, inschakeling bevolking (als dwangarbeiders en lijfeigenen), trad zelf op als ondernemer en als afnemer van de productie.

Peter de Grote (1689-1725): onder zijn leiding werd de staat de motor achter een modernisering op alle gebieden. Rusland versloeg Zweden à R kreeg status van grote mogendheid. Hervormingen: leger uitgebreid en gemoderniseerd. Vorming oorlogsvloot, verovering Baltische kust (Riga). Stichting St.Petersburg (1703), 2e belangrijke haven aan de Oostzee. Hervorming landsregering en lokaal bestuur voor betere belastinginning. Trok buitenlandse deskundigen aan, zond adel naar het westen voor opleiding. Oprichting instellingen voor hoger en technisch onderwijs. Staatsambten toegankelijk gemaakt voor mensen van lage afkomst. Economische politiek: mercantilistisch. Hoge invoerrechten, eigen nijverheid beschermd. Bevordering industrialisering (wel primitieve productietechnieken). Dwangarbeid. Helft bedrijven eigendom van de staat. Industrieel succes in mijnbouw, hoogovens en wapenindustrie.

Van Peter de Grote naar Alexander II

Rusland maakte onder Peter de Grote binnen 30 jaar een grote sprong voorwaarts, maar dit vroeg grote offers: hoge belastingen, militaire dienstplicht, dwangarbeid, verscherpte lijfeigenschap. Men reageerde met corruptie, desertie, vlucht en opstand. Ook passieve, conservatieve houding vd bevolking tov de moderniseringspolitiek vd staat. Modernisering op initiatief vd bevolking bleef uit. Inefficiënt ambtenaren-apparaat. Kloof tussen adel en volk. Geen sociale mobiliteit à ontstaan van moderne klassensamenleving vertraagd. Dus: Peters hervormingen wekte weerzin op onder alle bevolkingslagen. Hervormingen na 1725 minder omvattend, met minder geweld gepaard gaand. Noodzaak tot drastische hervomingen pas na de nederlaag van R in de Krimoorlog (1854-1856). Voordien gold R als de sterkste militaire mogendheid. In W.Eur angst voor Russische overheersing. Ten gevolge van de nederlaag zag men noodzaak tot hervorming met als belangrijkste element een kunstmatig verwekte industriële revolutie.

Rusland in die tijd niet als achterlijk gezien: er bestond bewondering voor R (1e helft 19e eeuw). Verbetering ontwikkeling vd bevolking (universiteiten, scholen). Ook economische ontwikkeling. Regionale specialisatie tussen agrarische zuiden en industriële noorden. Bevolkingsgroei van 15 naar 60 miljoen tussen 1725-1860. Opheffing binnenlandse tollen à toename handel. Bescherming inheemse nijverheid. Veel kleine fabrieken.

Beoordeling industriële groei voor 1860: verschil van mening onder historici, geen groei – wel industriële revolutie voor 1860. Nu: daar tussenin. Weinig groei in vergelijking met W.Eur. Lage mechaniserings-graad. Gebrekkige infrastructuur. Nauwelijks kolenwinning. Lage kwaliteit producten als gevolg van lage scholingsgraad arbeiders: dit waren ongeschoolde lijfeigenen, dus geen arbeidersklasse. Er bestond ook geen ondernemersklasse. Ontbreken leidinggevende en ondernemende bourgeoisie. Achterblijven verstedelijking, bevolkingsexplosie op platteland. Gebrek aan kapitaal. Hoge belastingdruk. Geen bankwezen. Kortom: er waren wel factoren aanwezig voor een industriële revolutie, maar succes hing af van initiatieven vd staat.

1e helft 19e eeuw: besef van achterstand. Debat tussen progressieven (bekwame topambtenaren, rijke adel; kleine groep) en conservatieven (grote groep): tegen liberalisatie en industrialisering. Tegen import van democratische ideeën. Reactionaire ideologie: onbelemmerd autocratisch gezag, geschraagd door welvarende, harmonische en schone agrarische economie en stabiele sociale verhoudingen. Bescherming door leger, het orthodoxe geloof en het anti-modernistische karakter van de Rus. Werd staatsideologie onder Nicolaas I (1825-1855). Leus: autocratie, orthodoxie en volksaard. Reactie: er ontstond een revolutionaire intelligentsia, voorstander van socialisme, maar tegen industrialisering. Voorstanders van bevrijding van de boeren, verheerlijking mir (dorpsgemeenschap). Nicolaas I durfde echter de afschaffing van het lijfeigenschap niet aan.

Modernisering en industrialisering (1850-1914)

Krimoorlog tegen Eng en Fr (1854-1856): R bleek niet langer de sterkste militaire macht. Modernisering nodig.

De hervormingen onder Alexander II (1855-1881)

Vermindering restricties op reizen naar het buitenland en op het aantal studenten dat tot de universiteiten werd toegelaten. Boeren bevrijd uit lijfeigenschap in 1861. Hervorming leger, rechtspraak, lokale bestuur en staatsfinanciën. Onderwijs vrijer, censuur afgezwakt. Emancipatie van de boeren tegen de wil van de adel à Alexander moest rekening houden met belangen van de adel. Bevrijding boeren leidde tot ondergraving van de autocratie. Boeren konden niet langer door de staat massaal gemobiliseerd en ge-exploiteerd worden. Dus ontfeodalisering leidde tot beperking van de macht van de staat en tot toenemende politieke instabiliteit. Compensaties voor de adel: 30.000 edellieden kregen 95 miljoen hectare van de beste landbouwgrond, de boeren moesten de grond die zij bewerkten van hun voormalige meesters kopen. De staat verstrekte leningen hiertoe, maar de boeren konden de aflossingen vaak niet betalen à dorpsgemeen-schap verantwoordelijk à boeren gevangen in de mir à vrije arbeidsmarkt kon niet ontstaan.

Nieuw orgaan voor lokaal bestuur: de zemstvo (vgl prov.staten, gemeenteraad): gekozen vertegen-woordigers van steden, boerendorpen en grootgrondbezitters. Bevoegdheden beperkt. Belangrijk werk op gebied van wegenaanleg, onderwijs, veterinaire zorg en vergroting van agronomische deskundigheid. Sociale gezondheidszorg met gratis medische behandeling.

Hervoming rechtspraak: benoeming onafhankelijke rechters, instelling juryrechtspraak, ontstaan advocatenstand. R werd bijna een rechtsstaat à belang voor modernisering ook op economisch gebied.

 

Reactie en modernisering onder Alexander III (1881-1894)

Progressieven aanvankelijk enthousiast over hervormingen, maar al snel teleurgesteld. Zemstvo werden broeinesten van politieke oppositie. Men eiste volksvertegenwoordiging op nationaal niveau. Radicaler was het studentenprotest: narodniki (narod = ‘volk’), hun ideaal: socialisme met vrije boerencommunes. Maar zij kregen de boeren niet zover om in opstand te komen. Revolutie bleef uit. Alexander II vermoord. Zijn zoon probeerde de autocratie te herstellen. Kondigde ‘tijdelijke maatregelen’ af om orde te handhaven. Bleven van kracht, dus soort staat van beleg. Revolutionaire beweging neergeslagen door staatspolitie. Verscherping censuur, universiteiten verloren autonomie. Benoeming landdrosten à versterking greep van centrale overheid op lokaal bestuur en boeren. Adel hersteld in traditionele rol. Sociale mobiliteit verkleind. Economische groei: industriële spurt in de jaren 90 (achteraf de eerste echte industriële revolutie). De staat nam de leiding over de economie op zich. Maar financiële problemen van overheid bleven bestaan. Afhankelijk van buitenlandse leningen. Tegenvallers: oorlog tegen Turkije in 1877 à fianciële chaos; hongersnood van 1891-1892, gevolg van de hoge indirecte belastingen voor de boeren, gecombineerd met hoge graanexporten.

Nieuwe minister van financiën (1892-1903): graaf Witte. Maakte aanleg spoorwegen tot spil van industri-aliseringspolitiek. Gefinancierd door hoge invoerrechten, hoge indirecte belastingen, grote buitenlandse leningen, een zo evenwichtig mogelijke begroting, stabiele roebel. Overgang op gouden standaard à geldverkeer tussen R en de rest van de wereld vergemakkelijkt. Hij brak met de aristocratische, conservatieve, agrarisch en militaristisch getinte tradities van de bureaucratische elite. Maar hij bleef een conservatieve patriot en aanhanger van de autocratie. Het campagne-achtige karakter van de industrialisering en modernisering door de staat bleef. Vele tegenstrijdigheden in zijn beleid, nam grote risico’s. Afhankelijkheid van het buitenland (R semi-kolonie). Maar sterke vooruitgang van de industrie onder Witte. Nieuwe industrieën vaak modern en grootschalig. Schaarste aan kapitaal, aan goede ondernemers en aan hoogwaardige technische kennis dwong tot concentratie.

Een door de staat afgedwongen en geforceerde modernisering roept tegenkrachten op à val Witte in 1903. Zijn politiek was desastreus voor de boeren: hoge belastingen op gebruiksartikelen dwong de boeren tot verkoop van zoveel mogelijk graan; graanprijs fluctueerde echter doordat R afhankelijk geworden was van de internationale markt. Hoge invoerrechten op landbouwwerktuigen uit buitenland, de meeste boeren konden deze niet aanschaffen à landbouwproductie bleef laag. Verpaupering van de boeren, dus geen afzetmarkt voor nijverheidsproducten. Economische positie vd adel liep eveneens terug. Publieke opinie vijandig tov Witte. Twee kampen: liberaal-socialistische vleugel, aangevoerd door progressieve intelligentsia (deel adel en burgerij), wilde autocratie afschaffen en constitutionele monarchie invoeren. Conservatief-reactionaire vleugel (deel burgerij en adel): voor autocratie, tegen verwestersing en modernisering; verdedigers van de traditionele Russische waarden en van het ‘gewone volk’. Deze groep kreeg de meeste invloed.

Het einde van de autocratie

Alexander III opgevolgd door Nicolaas II in 1894, wilde autocratie handhaven. 1904: Russisch-Japanse oorlog, nederlaag voor R in 1905. Revolutie in 1905. Tsarisme niet ten val gebracht, maar wel instelling parlement (Doema) en uitvaardiging constitutie. Het systeem van Witte had de fricties in de samenleving vergroot en de kloof tussen staat en maatschappij verbreed. Bevoegdheden Doema gering. Repressie door de overheid in stad en op platteland. Revolutie van 1905 in feite mislukt. Maar tegelijkertijd groeide er op een aantal gebieden een zekere samenwerking tussen overheidsbureaucratie en diverse maatschappelijke groeperingen. Grotere persvrijheid. Invloed publieke opinie nam toe. Oprichting vakbonden op beperkte schaal.

Nieuwe sterke man: Stolypin (1e minister 1906-1911). Onderdrukte de onlusten op het platteland, elimineerde de revolutionaire beweging. Richtte zich niet op de bevordering van de industrie, maar probeerde de agrarische misère op te lossen dmv opheffing van de mir. In de dorpsgemeenschappen werd elk jaar de grond herverdeeld over de families naar rato van hun arbeidskrachten à versnippering grond, lagere opbrengsten en grotere armoede. Hij wilde de peasants omvormen tot farmers met moderne agrarische eigendomsverhoudingen. Het was de bedoeling dat de boeren-kapitalisten de steunpilaar zou gaan vormen voor het tsaristisch regime. Door omzetten van communaal grondbezit in kapitalistisch eigendom een halt toeroepen aan afbrokkeling grondbezit. Schafte ook de aflossingen af die de boeren sinds 1861 aan de staat moesten betalen voor verwerving van grond. Belastingdruk verminderd. Oprichting boerenleenbank. Juridische ongelijkheid ongedaan gemaakt. Macht landdrosten terug gebracht. Meer onderwijs op platteland. Effecten: hogere opbrengsten, stijging landbouwproducten à hogere welvaart. Nadelen: de arme boeren werden nog armer. In 1917 zouden armoede en klassenhaat de aanleiding vormen voor de laatste boerenopstand in R en in Europa. De boeren versnipperden de grond weer en deden alle hervormingen teniet; zij werden weer peasants.

Ontwikkeling vd industrie tussen 1906-1914: de economische crisis van 1900 en de grote arbeidsonrust in 1905 hadden een terugslag betekend voor de industrie. De olie-industrie kreeg een gevoelige klap. Maar in de meeste fabrieken keerde de rust weer terug. Het bleek dat de industrie ook zonder de overheid kon. Groei: 6% per jaar. Lichte industrie werd van groter belang. Als geheel bleven de ondernemingen gekenmerkt door massaliteit en concentratie. Veel trusts die gehele takken beheersten. Banken verschaften kapitaal.

Historicus Gerschenkron: ontwikkeling volgens westers patroon. Historici zeggen dat hij de rol vd banken in Fr en Eng overschat. Vergelijking met westen gaat niet op: banden tussen Russische banken en de staat zeer hecht. R zeer afhankelijk gebleven van buitenlands kapitaal, waarmee 1/3 vd industrie gefinancierd werd. R bleef een zeer arm land. Modernisering had politieke en sociale instabiliteit tot gevolg. Veel opstanden van arbeiders. Door WO I verstomde het arbeidersprotest. Dus deze periode blijft voor historici een puzzel. Strijdvraag: was de revolutie van 1917 onvermijdelijk? Er speelden ook externe factoren mee, nl WO I. R’s deelname aan WO I was mede het gevolg van nationalisme. WO I kan niet uitsluitend als externe factor worden beschouwd, omdat dit nationalisme voorkwam uit het politiek bewustzijn dat door de modernisering bij grote groepen vd bevolking tot leven was gewekt.

Conclusie: blz. 287-288

Tsaren:

Ivan IV (de Verschrikkelijke) 1533-1584

Peter I (de Grote) 1689-1725

Catharina II (de Grote) 1762-1792

Nicolaas I 1825-1855

Alexander II 1855-1881

Alexander III 1881-1894

Nicolaas II 1894-1917


| Index | Geschiedenis | Industriële Samenlevingen | Vorige | Volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

Winnie de Keizer (2002)