De exploitatie van de natuur: geografie, grondstoffen, landbouw
Geografische omstandigheden
Groot, vlak en eenvormig. Westen en oosten geen natuurlijke grenzen à gemakkelijke prooi voor binnen-vallende vijanden. In noorden en zuiden wel natuurlijke grenzen: dichtgevroren zeeën, bergen en woestijnen. Geïsoleerde ligging. Ongunstig voor internationale handel. Verovering ijsvrije havens (bv Riga). Rivieren van noord naar zuid. Weinig verharde wegen, kosten hoog door extreem klimaat. Hoge transportkosten. Spoorwegen: enorme investeringen nodig à hoge belastingen. Probleem van grote afstanden bleef.
Grondstoffen
Ruime voorraad minerale grondstoffen, niet volop benut door geologische omstandigheden, gebrek aan kennis en laag economisch peil. Voor 1600: zoutwinning. Later goud, ijzererts en kolen. In 1914 was R vijfde van de wereld betreft ijzer- en kolenproductie. Olie: rond 1900 de grootste producent. Industrie-gebieden: Oeral, Oekraïne, Donetsbekken en Krivoj Rog. St.Petersburg: industrie met geïmporteerde grondstoffen. Moskou: handels- en industriestad als spoorwegknooppunt. Hout en bossen van groot belang. Visvangst belangrijke aanvullende voedselbron.
Landbouw
Klimaat: noorden te koud, zuiden te warm en te droog. Landklimaat met lange winters en korte zomers. Achterlijke agrarische productie. Zuidelijke steppen wel vruchtbaar, maar droog. Grootste probleem: overbebouwing als gevolg van de bevolkingsexplosie tussen 1800-1914: van 38 naar 170 miljoen mensen. In oude landbouwgebieden tekort aan grond. Lage graanopbrengst in vergelijking met Eng en D, maar met andere landen weer niet zo slecht. Stijging graanopbrengst na 1860 door uitbreiding areaal en bevrijding boeren. Verbouw van tarwe ipv rogge (export). Veel ‘overlevingslandbouw’. Hongersnoden eind 19e eeuw. Veel mensen verlieten het overbevolkte platteland en zochten werk buiten agrarische sector. Agrarische armoede had boeren altijd al gedwongen tot huisnijverheid à concurrentie voor fabrieken. Opbloei huisindustrie gevolg maar ook oorzaak van achteruitgang van oude landbouwgebieden. Traditionalisme à men kon niet van landbouw leven à huisindustrie à verwaarlozing agrarisch bedrijf. Ook traditionalisme onder adellijke grootgrondbezitters. Opbloei landbouw in randgebieden (Baltische gebieden, Poolse gebieden in zuidwesten), hier moderne bedrijven. Ook in Kaukasus, Siberië efficiënte landbouw. Ongelijke ontwikkeling gevolg van verschillen in vruchtbaarheid en klimaat, versterkt door verschillen in menselijke inspanning, kennis en mentaliteit. Industrialisering vergrootte de tegenstelling tussen arme en rijke gebieden. Belastingen moesten door platteland worden opgebracht. Toename verstedelijking à toename vraag naar voedsel uit W.Eur. Overschakeling op andere gewassen rond 1900: van hennep en vlas naar aardappels, suikerbieten, zonnebloemen, thee, katoen, tabak. Stedelijke groei bevorderde het ontstaan van efficiënte, markt-gerichte veeteelt, zuivelproductie en tuinbouw. In de centrale provincies groeide de armoede. Agrarische misère belangrijke oorzaak voor revoluties van 1905 en 1917. Landbouw altijd probleem gebleven.
De bevolking
Demografische problemen
Inwonertal rond 1900: 130 miljoen. Sommige gebieden dun bevolkt, andere overbevolkt met arme en ongeschoolde mensen. Bevolkingsexplosie tussen 1861 en 1914: van 73 naar 170 miljoen. Gevolg van modernisering, uitbreiding grondgebied, vredestijd. Iets meer welvaart en iets betere gezondheidszorg. Bevolkingsgroei vergrootte oude problemen, maar dwong ook tot grotere mobiliteit à meer contact à verspreiding kennis en ideeën. Bevolkingstoename remde de economische groei sterk af, inkomens laag, dus langzaam ontstaan van interne markt voor industrieproducten. Dus groei zware industrie ten koste van lichte industrie niet alleen door overheidsbeleid, maar ook door armoede vh grootste deel vd bevolking.
De Russische ondernemer
Gesteld wordt dat R geen bourgeoisie kende, vergelijkbaar met de westerse en dat dit de grootste hindernis was voor modernisering. Niet duidelijk wat bourgeoisie dan is. In het westen te vinden in de stad. In R eerst kijken naar het platteland, mn naar de adel. In R is de edelman ondernemer die zich als westerse bourgeois ging gedragen. Actief in zout- en ijzerertswinning. Adel werd 2e helft 18e eeuw vrijgesteld van staatsdienst à meer adel actief in handel en industrie. Begin 19e eeuw bezat de adel in een aantal takken van nijverheid en industrie een meerderheidsaandeel (60-80%). Landgoederen bron van grondstoffen, lijfeigenen ingezet als arbeiders. Boerenbevrijding en laissez-faire-politiek van overheid betekende teruggang vh adellijk aandeel in de economie. Maar ging na 1860 niet geheel verloren. Adel droeg ook bij aan modernisering door hun opvoeding, opleiding, internationale ervaring en contacten.
Boeren als ondernemers: huisnijverheidsproducten ook verhandeld. Ook groepen boeren ondernemers, bv de lijfeigenen van het dorp Ivanovo (bedrukken van katoenen stoffen) hadden eigen fabriek. Boeren ook actief in ijzerverwerkende industrie en in de bouw.
De steden
Angst voor stedelijk proletariaat bij overheid en in de literatuur. Maar rond 1900 leken Moskou en St.Petersburg veel op Londen en Parijs. Is correctie op het traditionele beeld van Ruslands ontbrekende verstedelijking. Maar er bestaan wel verschillen. In 1915 woonde nog maar 15% vd totale Russische bevolking in steden. Moskou en St.Petersburg uitzonderingen met inwonertal van 2 miljoen.
De verschillen tussen oost en west waar het de relatie tussen verstedelijking en industrialisering betreft, zijn minder pregnant dan vaak is aangenomen. Feit blijft echter dat de R steden niet de motor achter de industriële take-off zijn geweest. Net als bij de landbouw was de groei en de modernisering vd steden eerder een gevolg dan een oorzaak vd industrialisering. Bovendien was deze ontwikkeling onevenwichtig en ongelijk verdeeld.
Beeld van stadbewoners: slecht. Kooplieden afgeschilderd als op geld en gewin beluste bedriegers. Dit is echter een karikatuur. Koopliedenstand in 18e eeuw ingekrompen als gevolg van concurrentie van adel en boeren. Er bestonden koopliedengilden, middel vd overheid ten bate van de belastingheffing. Na 1850 nieuwe generatie kooplieden, minder traditioneel, betere opleiding. Familiebedrijf bleef overheersend, maar toch verwestersing in organisatie en financiële basis. Geen belangstelling in politiek bij kooplieden, wel culturele belangstelling.
De niet-Russische ondernemer
Rusland multinationaal rijk: Polen, Balten, Tataren, Duitsers, joden, Kaukasische volken, Finnen, Turkse volken, met eigen taal, cultuur en godsdienst. Polen, Duitsers en joden vaak kooplui, financiers en fabrikanten. Steden kregen smeltkroesfunctie met kosmopolitisch karakter (St.Petersburg, Riga, Odessa). Russische industrialisering gefinancierd met buitenlands kapitaal, maar R geen semi-kolonie. R kreeg door buitenlanders beschikking over nieuwste machines en methoden, geen geld nodig voor research. Nadeel is wel afhankelijkheid van buitenland. Er bestond xenofobie naast kosmopolitisme. Geen sprake van economische exploitatie van R door het westen. Russische overheid had te sterke greep op economisch leven hiervoor.
Rol van R bourgeoisie: rond 1900 bezat R een bourgeoisie die met de westerse vergeleken kan worden. Mede aan deze groep te danken dat R in 1914 de 5e industriële natie was geworden. Beperkte invloed bourgeoisie op samenleving en politiek. Invloed van adel op landsbestuur bleef groot.
De arbeiders
Sovjet-interpretatie van revolutie 1917: proletariaat greep de macht, socialistische omwenteling.
Interpretatie van westerse socialisten: arbeiders hadden niets te verliezen, waren achterlijk; despotische vorm van socialisme paste bij deze achterlijkheid. Arbeiders doodgravers van kapitalisme.
Protest tegen industrialisering kwam niet van voormalige boeren maar van handwerkslieden. Verpauperd fabrieksproletariaat zoals in het westen bestond niet in R. Arbeiders behielden band met platteland. Traditie van industriële seizoensarbeid. Arbeiders keerden na hun 50e terug naar platteland. Binding met platteland zorgde voor geleidelijke gewenning aan stedelijke mentaliteit en fabrieksdiscipline. Achterlijkheid en agrarische mentaliteit vormde geen beletsel voor inzet als arbeiders in grootschalige fabrieken. Eind 19e eeuw toegenomen sociale onrust op platteland, achtergrond van anti-industrieel protest in de stad. Na 1870 besef van een ‘sociale kwestie’ bij overheid. Maatregelen van overheid en particuliere ondernemers: sociale wetgeving, voorschriften voor veiligheid, betere huisvesting, opleiding en medische verzorging etc. Arbeidersacties kwamen wel voor: stakingen à oprichting arbeidersverenigingen onder staats- en politie-toezicht (politiebonden). Revolutie van 1905 begon met demonstratie van arbeiders, georganiseerd door een politiebond. Protest kreeg socialistisch karakter toen er een verbond groeide tussen het proletariaat en de revolutionaire intelligentsia. Er werden arbeidersraden (sovjets) opgericht die de macht overnamen van de overheid. Maar de anti-autocratische oppositie was verdeeld en het leger bleef trouw aan de tsaar. Instelling Doema, arbeiders mochten vakbonden oprichten. Revolutie mislukt. Vanaf 1916 weer massale stakingen. Leger en politie nu niet meer trouw, tsaar moest aftreden. Verslechterende economische situatie was voorwaarde voor machtsovername van de bolsjeviki in oktober 1917. Tijdens de burgeroorlog die daarop volgde kwam het economisch leven vrijwel tot stilstand en werd de ‘normale’ kapitalistische ontwikkeling definitief afgebroken.
Proletariaat geen homogene groep. Na 1905 ontstond er een arbeidersintelligentsia. In WO I moesten veel geschoolde arbeiders naar het front, hun plaatsen in de fabrieken werden opgevuld door ongeschoolde arbeiders. Maar dit gebeurde ook in het westen, hier ook revolutionaire situaties. Dus weinig reden te veronderstellen dat R arbeiders in vergelijking met de Eur zeer bijzondere eigenschappen hadden.
Er blijft toch wel een verschil tussen R en de andere landen: in Fr, Eng en D waren er wel arbeiders-onlusten, maar het kapitalisme, vrij ondernemerschap en het marktmechanisme bleven intact. R maakte zich hieruit los en zette de industrialisering op een andere wijze voort. Maar de arbeidersonlust is niet de enige oorzaak geweest, zelfs niet de doorslaggevende factor.
Eindconclusie
Gunstige economische voorwaarden, zoals bv de ruime mate waarin delfstoffen aanwezig waren, werden teniet gedaan door de problemen die de ligging, het klimaat en de bodemgesteldheid veroorzaakten. Dit belemmerde de opbouw van een infrastructuur en een efficiënt communicatiesysteem in dit zeer grote land aanzienlijk. De factor arbeid ondervond in veel gevallen eveneens ernstige hinder van deze problemen. Bovendien blokkeerde de staat uit machtspolitieke overwegingen de spontane economische activiteiten van de burgerij. Zo onstond er slechts langzaam een homogene burgerij die zich actief op industrialisering richtte. Ook in de landbouw vond de kapitalistische productiewijze traag en versnipperd zijn ingang. De sociaal-economische voorwaarden zoals die in Rusland aanwezig waren lijken geen beslissende rol in de doorbraak van de industrialisering te hebben gespeeld.
Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland
Winnie de Keizer (2002)