Na 1900 was R in snel tempo op weg om in economisch, sociaal, cultureel en politiek opzicht een westers, Europees land te worden. Koerswijziging na 1917. Kapitalisme afgeschaft. De staat nam de leiding over de economie. Doel: socialistische samenleving, vrij van de tekortkomingen van de moderne westerse maatschappij.
De Russische ziel
19e-begin 20e eeuw: stereotypering van naties, begrip ‘nationaal karakter’ nu in diskrediet geraakt.
Volkskarakter en zelfbeeld
Europese ideeën over de Russische volksaard:
16e eeuw: R werd beschouwd als een half of geheel Aziatisch land waarvan de inwoners met beesten vergeleken werden. De agressieve expansiepolitiek deed in Europa een ware russofobie ontstaan.
17e-18e eeuw: ondanks de angst voor R dwong tsaar Peter de Grote in het westen respect af met zijn pogingen R te beschaven. De russofobie verdween daardoor echter niet en bleef in deze eeuwen invloed uitoefenen op het westers denken over R. Desondanks kwam er een voorzichtige herwaardering op gang en ontstonden er pro-russische groeperingen.
19e eeuw: in Europa ontstond nu op grote schaal bewondering voor het Russische volk waaraan men zeer humane en nobele eigenschappen toedichtte. De invloed van de R roman en het werk van R componisten lag hieraan ten grondslag. Ommezwaai naar russofilie. Dit stabiliseerde de toestand in zoverre dat Europa vanaf de 19e eeuw permanent is verdeeld in 2 kampen: de russofoben en de russofielen.
Oiv politieke en sociaal-economische hervormingen begonnen de bestaande ideeën over R te veranderen à onzekerheid in beeldvorming. Men slaagde er niet in de situatie op zijn ware merites te beoordelen, hetgeen nieuwe beeldvorming bemoeilijkte. Deze onzekerheid droeg ertoe bij dat R als een mysterie werd beschouwd. Oude vooroordelen bleven bestaan, maar het beeld kon ook moeiteloos worden aangepast.
De ‘Russische ziel’ werd een brede natuur toegekend met de volgende eigenschappen:
De Russen zelf accepteerden dit beel van hun volkskarakter als een betrouwbaar zelfbeeld. Onduidelijk waarom en waardoor deze acceptatie ontstond.
Nationalisme
Twee soorten: tevreden en ontevreden nationalisme. Tevreden: dynastiek nationalisme waarin de mystieke band tussen de tsaar en zijn volk tot uiting kwam; nationale trots over grootheid en macht vh rijk. Nationalisme van tsarisme, de orthodoxe kerk en van een deel van de conservatieve burgerij. Ontevreden: tegenstanders van de autocratie; leden van de radicale intelligentsia; boeren en arbeiders. Aanhangers van het dynastiek nationalisme vóór 1914: extreem behoudende en rechtse groeperingen. Liberale politici en industriële ondernermers waren vaak wel monarchistisch gezind, maar tegelijkertijd tegenstanders van de autocratie en voorstanders van een constitutie en burgerlijke vrijheden.
Volkskarakter en industrialisering
Nationalisme als mentale factor bij de industrialisering heeft een moeilijk te duiden rol gespeeld.
Het volkskarakter werkte als excuus om niets te doen wanneer er iets misging, ook op industrieel gebied. De tsaristische overheid heeft niets ondernomen om dit fatalisme te bestrijden. Wel na 1917 mbv pressie- en propagandamiddelen, maar niet gelukt. Dus kan men zeggen dat in de mentaliteit vh R volk een van de vele oorzaken is te zien waardoor de modernisering en industrialisering niet zo succesvol waren dat daarmee een revolutie kon worden voorkomen.
In het westen werd de nadruk gelegd op de verschillen tussen oost en west. Westerse socialisten gingen de radicale terroristische vleugel van het Russische socialisme steunen. Het westerse socialisme is door deze houding in zekere zin medeverantwoordelijk voor de ondergang van het kapitalisme en voor het ontstaan van een communistische dictatuur in R.
Tsaar werd gesteund door westers kapitaal. Zonder deze steun zou R misschien in de periode 1906-1914 een parlement hebben gehad.
In de periode 1906-1917 verloor de tegenstelling tussen R en Eur enige scherpe kanten doordat zich in R de contouren van een pluriforme, westers getinte samenleving begonnen af te tekenen. WO I versterkte deze tendens. Na de revolutie van 1917 kwamen de oude vooroordelen over R weer naar voren.
Godsdienst en economie
De orthodoxe kerk
In W.Eur relatie gezien tussen kapitalisme en protestantisme. Orthodoxe kerk van invloed op achterstand? R’s niet-westerse ontwikkeling veroorzaakt door de kerstening vanuit Byzantium. R maakte geen deel uit van de Latijnse christenheid. Geen universiteiten, geen humanisme of renaissance. Godsdienst in volkstaal gepredikt, beperkte de invloed van de Grieks-byzantijnse cultuur. Kerk geen wereldlijke macht. Geen strijd tussen keizer en paus. Orthodox geloof onwerelds. Orthodoxe kerk anti-westers (bv verbod op dragen van westerse kleding en op roken van tabak). Russisch volk weinig respectvol naar kerk.
De oud-gelovigen
17e eeuw: schisma in kerk: oud-gelovigen scheidden zich af na hervormingen. Repressie à oud-gelovigen naar uithoeken van R. Pioniersmentaliteit. Eind 18e eeuw werd repressie minder. Oud-gelovige fabrikanten zetten grote bedrijven op (textiel-industrie) in dorpen nabij Moskou. Vormden economische macht. Dankzij hen was Moskou in de 1e helft 19e eeuw een belangrijke industriële regio. Onder Nicolaas I nam de repressie weer toe. Economische betekenis nam af. Verwestersing van oud-gelovige ondernemers. Samenvattend: de religie heeft in R niet die moderniserende invloed op de economie gehad als het protestantisme in het westen. Anderzijds kan niet worden gezegd dat de R godsdienstige opvattingen het winstmaken hebben belemmerd, zie het ondernemerschap van de oud-gelovigen. De repressie vd overheid heeft hierbij een rol gespeeld: grotere onvrijheid leidde tot zorgvuldiger benutting van mogelijkheden (geldt ook voor bv de joden). Maar religieus conservatisme bemoeilijkte wel de overgang naar industrialisering en modernisme.
Intelligentsia en kapitalisme
Het radicalisme van de intelligentsia
Intelligentsia heeft dubbele betekenis: in engere zin zijn het mensen die betrokken zijn bij staatkundige en maatschappelijke vraagstukken; in ruime zin: mensen met een hoog opleidingsniveau. Russische intelligentsia: begrip raakte ingeburgerd onder Alexander II, de tsaar-hervormer. Groep werd berucht na de moord op de tsaar in 1881. Russische intellectuelen hadden grote moeite zich te conformeren aan staat en samenleving. Het hebben van een baan betekende morele degradatie (behalve in onderwijs en wetenschap) Radicalen: studenten; wezen de bestaande orde volledig af, keerden zich af van iedere hervormingspoging vd overheid die modernisering beoogde. Negatief effect op industrialisering.
Het populisme
Repressie van intelligentsia onder Nicolaas I. Wel werd basis gelegd voor ‘populisme’: radicale, romantische ideologie, combineerde westerse socialistische denkbeelden met idealistische visie op het R volk. Agrarisch socialisme als oplossing gezien voor R’s problemen. Intelligentsia teleurgesteld over resultaat van hervormingen van Alexander II, agrarische misère niet verdwenen. Populistische propaganda om boeren tot opstand aan te zetten mislukte. Tweedeling: terroristische populisten, strak geleide organisatie (De Volkswil), pleegde terreurdaden tegen hooggeplaatste ambtenaren. Moord op tsaar (1881). Zijn zoon arresteerde de moordenaars à revolutionaire beweging uitgeschakeld. Gematigde populisten: geen terreur, devies: propaganda. Verzet tegen kapitalistische industrialisering, zou leiden tot staats-bankroet, vernietiging van de landbouw en massale hongersnood. Modernisering in traag tempo mbv socialistische planning met als uitgangspunt de traditionele agrarische collectivistische instellingen. De tsaar zou hier nooit voor kiezen, dus R kon alleen gered worden door een sociale revolutie. Zij voorzagen de ontwrichting die de industrialisering zou veroorzaken. Enthousiaste ontvangst van Das Kapital van Karl Marx (1867).
De marxisten
Door mislukte propaganda van populisten onder boeren werden gematigde populisten voorstander van kapitalisme en industrialisering. Fabrieksarbeiders gezien als revolutionaire macht. De oude zekerheden van de populisten mbt de Russische boeren, dia ahw van nature revolutionair en socialistisch waren en dus R zouden kunnen bevrijden van exploitatie en onderdrukking, waren ondergraven. De gehele 19e eeuw door was de vraag of R het westen moest navolgen of moest vasthouden aan zijn eigen identiteit, de meest brandende kwestie van het R intellectuele leven geweest. Eind 19e eeuw werd het pleit in het voordeel van de marxisten beslecht. De populisten moesten toegeven dat R zover was voortgeschreden op het westerse pad van industrialisering dat terugkeer niet meer mogelijk was.
Jaren 90: marxisme populair op universiteiten. Meerderheid van intelligentsia was begin 20e eeuw overtuigd van het nut van verwestersing van R. Aanvaarding van kapitalisme echter gedeeltelijk. Werd gezien als historische fase op weg naar socialisme. Men verwachtte dat de burgerlijk-kapitalistische fase niet lang hoefde te duren. Parlementair-politiek systeem als ‘bourgeois’ verworpen, coalitie met meer gematigde liberale oppositie tegen autocratie van de hand gewezen. Sociaal-democratische partij in 1898, zocht contact met arbeiders à verbreiding marxistisch evangelie, probeerden aan stakingen een revolutio-naire inhoud te verlenen. Maar politieke organisaties waren verboden à illegaliteit, dus moeilijk de arbeiders te scholen tot zelfbewuste proletarische klasse. Wel bijdrage geleverd aan verscherping vd tegenstellingen in de samenleving. Aanwakkering klassenstrijd vergrootte weerzin tegen industrialisering. Door radicalisme vd intelligentsia en de repressie door de staat konden geen grote socialistische partijen en vakbonden ontstaan die het anti-industrieel protest indamden en kanaliseerden en daardoor de verburger-lijking van het socialisme en de acceptatie van een moderne industriële samenleving in de hand werkten.
Scheuring en mislukte revolutie
1903: splitsing in de sociaal-democratische partij toen Lenin zijn plannen voor een autoritaire partij-organisatie aan de partij trachtte op te dringen. Lenin en volgelingen: bolsjeviki (meerderheidslieden); zijn tegenstanders: mensjeviki (minderheidslieden), vonden Lenin dictatoriaal, zijn socialisme zou weinig vrijheid of democratie brengen. Na 1900 marxisme minder populair. Intelligentsia aangetrokken tot liberalisme; voorstanders van algemeen kiesrecht. Er ontstond ook een partij van neopopulisten: de socialisten-revolutionairen; ideologie: mengsel van marxisme en populisme. Accepteerden modernisering van R. Steden mochten bolwerken blijven van kapitalisme en industrie; platteland socialistisch, van daaruit verovering door het socialisme van de stad. Boeren en fabrieksarbeiders ‘werkers’. Voorstanders van revolutionaire actie (terreur).
Volksopstand in 1905: alle geledingen van de bevolking betrokken, intelligentsia in de hoofdrol. Maar teveel verdeeld. Zolang de acties bedoeld leken om de tsaar tot constitutionele concessies te bewegen, konden zij rekenen op de steun van de liberale bourgeoisie. Veranderde toen de arbeiders een 8-urige werkdag gingen eisen. Getracht werd door te stoten naar het socialisme. Revolutie mislukte door vele oorzaken, maar was de genadeklap voor de revolutionaire intelligentsia; werden terechtgesteld of gevangen gezet.
De weg naar het kapitalisme afgesneden
Revolutionaire beweging ook ingestort door mentaliteitsverandering binnen de intelligentsia: verloren de interesse voor socialisme en revolutie. Gingen zich aan normale maatschappelijke carrière wijden à opbloei van onderwijs, wetenschap, kunst en literatuur. Intellectueel radicalisme ook verminderd door instelling van Doema (parlement) in 1905 en door redelijke mate van persvrijheid. Meer politieke vrijheid. Andere houding tov kapitalisme. Samenleving werd pluriformer, maar het proces van normalisatie en verwestersing niet voltooid toen in 1914 de oorlog uitbrak. Allerlei groeperingen verhinderden dat er in R een maatschappijtype ontstond waarbinnen modernisering onbelemmerd kon worden voortgezet (bv de extreem rechtsen, de socialisten-revolutionairen).
Toenemende arbeidsonrust na 1912 à nieuwe kansen voor bolsjeviki; kregen de leiding in veel vakbonden. Maar gematigde socialisten en mensjeviki dominant na de val van de tsaar. Zij geloofden niet dat R al aan het socialisme toe was. Men wilde een ‘burgerlijk’, westers parlementair bestuur. Universiteiten niet langer centra van revolutionaire onrust. De meeste studenten vochten aan het front. Maar de revolutie was wel opnieuw, zoals in 1905, een sociaal-economische crisis die veroorzaakt werd door de gebreken en de tekortkomingen van R’s industriële ontwikkeling. De regering raakte de steun van het volk kwijt: de boeren wilden land, de soldaten vrede, de arbeiders brood, de niet-Russische volken wilden onafhankelijkheid. Toenemende chaos voordeel voor bolsjeviki. Beloofden het volk te geven wat het wilde à grote populariteit, veroverden de meerderheid in de meeste sovjets. Staatsgreep (Oktober-revolutie). Hierna burgeroorlog en economische chaos. Bolsjeviki gedwongen tot dictatuur om de wanorde te herstellen. Definitief einde aan kapitalistische vorm van industrialisering in R. De communisten werden om het land van economische ondergang te redden, in 1921 gedwongen bepaalde concessies te doen die kunnen worden opgevat als gedeeltelijke terugkeer naar het kapitalisme. Ongedaan gemaakt door Stalin. Onder zijn regime zou R een tweede industriële revolutie doormaken, geleid door de staat, kapitaal geleverd door de boeren. Maar zonder westers kapitalisme en individueel ondernemerschap.
De bolsjeviki zijn dus inderdaad de doodgravers van het kapitalisme in R geweest.
In het westen is het karakter van de tsaristische en de communistische staat vaak verklaard met een verwijzing naar de mentaliteit vd Russen, die hen ongeschikt zou maken om te functioneren in een modern en dynamisch kapitalistisch systeem. Men geloofde niet dat de Russen zich als verantwoordelijke staatsburgers zouden kunnen gedragen in de bijbehorende samenleving. Vele Russen hebben hetzelfde beweerd. Maar men hoeft niet in deze cirkelredenering gevangen te blijven. De R intelligentsia, die bij uitstek deze typisch R geestesgesteldheid belichaamde, was geen statische groepering; bleek gevoelig voor westerse invloeden. De meerderheid van de intellectuelen aanvaardde uiteindelijk de industriële samenleving en de democratische parlementaire staat. Dus wel degelijk mentaliteitsverandering. Wat voor de intelligentsia geldt, geldt ook voor andere groeperingen. Misschien waren de tsaar en zijn omgeving en Lenin en zijn geestverwanten qua mentaliteit onveranderlijker en onverbeterlijker dan de meerderheid van de Russische bevolking.
Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland
Winnie de Keizer (2002)