Het Ontstaan van Industriële Samenlevingen

Japan: Inleiding

 

Vraagstelling

1854: gedwongen openstelling Japan door het westen na 2 eeuwen afsluiting vd buitenwereld. Aanleiding tot revolutie van bovenaf.

1868: aristocratische omwenteling, macht in handen van samurai.

1904-05: oorlog tegen Rusland gewonnen

1930-1945: importbeperkende maatregelen tegen J door westen à problemen à expansionistische koers

Na WO II: ongekende groei in economie.

Begin industriële intwikkeling 1885-1914. Hoe was het mogelijk dat J na eeuwenlange afsluiting van het westen er in een halve eeuw in slaagde met succes de 1e fase van industrialisering, de take-off naar aanhoudende economische groei, te realiseren? Kiem gelegd in periode voor 1854? Waarom was J niet eerder, zonder buitenlandse dreiging, op eigen kracht in staat gebleken tot industrialisering? Laatkomer in vergelijking met westen, vroege industrialiseerder in vergelijking met niet-westerse landen.

Een korte ontwikkelingsschets: Japan 1600-1914

Vierdeling in de tijd: 1600-1720; 1720-1868; 1868-1885; 1885-1914

De grondslagen van het vroeg-moderne Japan (1600-1720)

Centrale heerser vanaf 1192: de shogun. Militaire figuur. Regeringscentrum: bakufu (tentregering). Kreeg titel van de keizer. Keizer had slechts ceremoniële betekenis. Ambt van shogun erfelijk. Centrale macht voor 1600 beperkt. In het land regeerden feodale heersers, de daimyo. 16e eeuw: afname centraal gezag, twisten tussen daimyo. Tijdens deze machtsstrijd macht in handen van achtereenvolgens: Oda Nobunaga, Toyotomi Hideyoshi en Tokugawa Ieyasu, de ‘founding fathers’ vh vroeg-moderne Japan. Tokugawa Ieyasu werd in 1603 shogun, Tokugawa-shogunaat tot 1868. Na 1600 bleven er 250-300 daimyo bestaan à centralistisch feodalisme. Macht beperkt door verplichting beurtelings een periode in hun eigen kasteelstad en in de stad van de shogun (Edo, nu Tokyo) te wonen. Vazallen van de daimyo: samurai, moesten in de kasteelsteden wonen (dus leefden zij gescheiden van platteland en boeren). Vier standen: militairen, boeren, handwerkslieden en kooplieden, sterk van elkaar gescheiden ter voorkoming van sociale en politieke veranderingen. Land in 1639 afgesloten voor buitenlanders.

Het systeem onder druk (1720-1868)

Daimyo en samurai verarmden, kooplieden zagen welvaart stijgen. Lagere samurai waren bureaucraten geworden, zagen zichzelf als bestuurselite; eisten vooraanstaande positie op basis van hun prestaties. Kleine boeren moesten plaats maken voor grootgrondbezitters. Veranderende politieke opvattingen (1e helft 19e eeuw): macht van de keizer opgewaardeerd ten nadele van die van de shogun. 1868: einde shogunaat; macht in haden van samurai uit zuidwestelijke staten. Land in 1854 onder Amerikaanse druk opengesteld voor het westen; Japan moest in 1858 zeer ongunstige verdragen sluiten.

De wil tot industrialisering (1868-1885)

Meiji-bewind van 1868 tot 1912. Afschaffing feodale gebieden. Gecentraliseerde eenheidsstaat. Politiek doel: voorkomen verlies nationale soevereiniteit als gevolg van westers imperialisme; ongedaan maken verdragen van 1858 (limiet van 5% invoertarief op buitenlandse producten, extraterritorialiteit: westerlingen niet naar Japans recht berecht). Noodzakelijke voorwaarde: industrialisering (‘een rijk land, sterke strijdkrachten’). Overheid gedwongen voortrekkersrol te spelen bij gebrek aan particulier initiatief. Beheerde fabrieken, zorgde voor infrastructuur: transport, communicatie, onderwijs en bankwezen. Scheiding standen opgeheven. 1872 algemene leerplicht. De meritocratische denkwijze van de samurai verspreidde zich (‘samurai-isation’).

Het industrialiseringsproces (1885-1914)

Na 1880 overheid in financiële problemen, verkocht bedrijven. Industrialisering overgenomen door particulieren. 1885-1905: take-off naar aanhoudende economische groei. Overheid alleen nog in militaire industrie.

Begin- en eindpunt: van een feodale markteconomie naar een kapitalistische prestatiemaatschappij

17e eeuw: feodale markteconomie. Eind 19e eeuw: kapitalistische prestatiemaatschappij.

Feodalisme in juridische zin: samenstel van persoonlijke verplichtingen, waarbij de leenman trouw en (militaire) prestaties beloofde aan zijn leenheer, die op zijn beurt de leenman of vazal bescherming beloofde en materiële mogelijkheden bood zijn verplichtingen na te komen. Shogun opperleenheer, daimyo zijn vazallen. Daimyo leenheren van de samurai. Geen eigendomsrecht op grond; alleen recht tot belasting-inning (rijst) op grond van hoeveelheid land.

Feodalisme in sociologische zin: daimyo en samurai hadden bevoorrechte positie tov andere sociale groepen, wier status ook weer door geboorte was bepaald. Landbouw primaire bron van economische activiteit, andere activiteiten minderwaardig. Na de samurai waren de boeren de belangrijkste groep. Afwijkend tov Europa: ook het handelsverkeer was ontwikkeld. Handel ingebed in feodale ordening. Oorzaken: de scheiding tussen boeren en strijders en het vereiste wisselbezoek aan Edo. De samurai woonden in de kasteelstad van hun daimyo. Per feodaal gebied (han) was 1 kasteelstad toegestaan. Belasting aan daimyo uitsluitend in rijst, maar ook behoefte aan andere producten à iedere kasteelstad werd marktplaats. Edo grootste domein. Tweede kenmerk feodale maatschappij: mate van autonomie van daimyo en samurai veel minder groot dan adel in Europa. Wetten van de shogun moesten in alle han worden uitgevoerd. Aanwezigheid in Edo leidde tot eenheid in bestuur = centralistisch feodalisme, het bakuhan-systeem (samentrekking bakufu en han).

Dus 2 afwijkingen vann het Europese feodalisme: aanwezigheid van een markteconomie en een relatief sterke bestuurscentralisatie. Vijf kenmerken 17e eeuws Japan:

  1. Binnenlandse politiek: de verdeling vh grondgebied in 250-300 han; geen particularisme, maar centralistisch feodalisme
  2. Buitenlandse politiek: de afsluiting naar buiten. Geen buitenlanders erin, geen Japanners eruit
  3. Sociaal: de standenindeling: in volgorde van belang: krijgers, boeren, handwerkslieden, kooplieden (werden zelfs veracht)
  4. Economisch: de landbouw vormde de basis van de samenleving, doch er was reeds een belangrijk marktsegment aanwezig
  5. Mentaal-cultureel: het standsdenken overheerste. Elke stand had zijn eigen wetten (do) waarnaar elk individu moest leven; verandering ondenkbaar.

Japan rond 1900: kapitalistisch. Meiji-restauratie van 1868 schiep de voorwaarden: vrijheid van beroepskeuze, van vestiging, contractvrijheid, bescherming particulier eigendom. Markt uitgebreid door handel met buitenland na 1854. Na 1885 ontstond een ondernemingsgewijze productie. Er ontstond een kapitalistische prestatiemaatschappij. Niet alleen de overheid, ook individuen extreem prestatiegericht. Middel: onderwijs. Prestaties vh individu lagen in het verlengde van die van de natie. Men streefde ernaar op gelijke voet te komen met westerse naties à expansionisme.

Kenmerken Japanse prestatiemaatschappij:

  1. Binnenlandse politiek: gecentraliseerde eenheidsstaat
  2. Buitenlandse politiek: taak vd staat was Jdmv industrialisering de leidende natie vd wereld te maken
  3. Sociaal: meritocratisch
  4. Economisch: kapitalistische maatschappelijke orde. Industrie (en dienstensector) basis vd economie
  5. Mentaal-cultureel: sterk meritocratische instelling. Nationalisme dominant, maar als concurrerende stroming was er het individualisme dat door de elite als een bedreiding werd ervaren.

Het industrialiseringsproces (1885-1914)

Indicatoren voor economische groei: Netto binnenlands product: groeide als geheel sterk. Jaarlijkse groei vh nationaal inkomen: 3% (vergelijkbaar met Scandinavië; hoger dan in D, Eng). Aandeel van de secundaire sector (industrie en nijverheid) aanzienlijk. Toename van % werkzaam in secundaire sector ten koste vd landbouw. Groei in moderne industrie gering. Fabrieken klein. Voor WO I was nog geen 60% van de fabrieken gemechaniseerd. Tussen 1885 en 1895 maakte de textielindustrie de sterkste groei door. Tussen 1895 en 1905 groeide de zware industrie het sterkst. Textiel: vnl katoenindustrie; bleef echter een huisindustrie. Tweeploegensysteem: hoge productie per spoel, toestellen 24 uur per dag in bedrijf. Zijde-industrie: groeide sterk, vooral export van ruwe zijde. Investeren in de met de hand aangedreven spoelen voor zijde was goedkoper dan die voor katoen à mechanisatiegraad gering. Plattelandswerk. Vanaf 1894 stijging in productie van ijzer en staal tgv ontwikkeling in zware industrie. Hier bleef de overheid een belangrijke rol in spelen. Geen financieel succes, overheid moest subsidies geven. Belangrijkste consument van ijzer en staal: de scheepsbouw. Oorlogsschepen, maar ook handelsschepen (in 17e eeuw bouw grote schepen voor particulieren verboden). Overheid wilde afhankelijkheid van buitenlandse schepen verminderen. Overheid bevorderde fusies; bedreef mbv subsidies een actieve politiek.

Typering van het Japanse industrialiseringsproces

Specifieke kenmerken:

  1. Overheid gangmaker. Tot 1885: textielindustrie, daarna zware industrie.
  2. Voortdurend gebrek aan kapitaal
  3. Kenniskloof: invoer van technologische kennis doelbewust in korte periode. Men zag noodzaak van deze invoer, maar wilde zo snel mogelijk op eigen benen staan
  4. Tempo: gezien de uitgangssituatie was de mate van industrialisering in 1914 niet gering. Aan de andere kant was de Japanse industriële productie in de periode 1896-1913 slechts 1% vh wereldtotaal (VS: 33, GB: 17: D: 15,5; Fr: 6,5; R: 5,5; België 2). Slechts 10% vd beroepsbevolking in industrie; 2/3 in landbouw; 80% vd secundaire sector min of meer traditionele nijverheid.
  5. Duale economie: enerzijds een kleine groep mensen werkzaam in de moderne industrie met een hoge productie; anderzijds een grote groep mensen werkzaam in de landbouw en traditionele nijverheid en een deel van de dienstensector, waarvan de bijdrage aan het nationale inkomen relatief gering is. Moderne industrie niet bedreigend voor traditionele nijverheid. Dus modern en traditioneel naast elkaar. Dualisme in export: J voerde agrarische producten uit naar westerse landen, terwijl het fabrikaten exporteerde naar minder ontwikkelde gebieden in Oost- en Zuid-Oost-Azië.
  6. Kleinschaligheid: industriële productie kleinschalig georganiseerd: ¾ vd werknemers in bedrijven met 4 of minder werknemers. Aantal bedrijven met 5 of meer groeide wel, gemiddeld aantal (in 1914): 50-60. Grote technische eenheden waren een uitzondering.

| Index | Geschiedenis | Industriële Samenlevingen | Vorige | Volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

Winnie de Keizer (2002)