Het Ontstaan van Industriële Samenlevingen

Japan: Mentaal- culturele voorwaarden

 

Drie vragen: hoe was het mogelijk dat Japan zich zo snel de westerse technieken eigen maakte? Hoe kwam het dat de standgebonden mentaliteit na 2½ eeuw plotseling plaats maakte voor enerzijds nationalisme en anderzijds individualisme? Werden de veranderingen die in het kader van de industrialisering plaats hadden, in mentaal-cultureel opzicht zonder meer geaccepteerd of riepen zij anti-moderne stromingen op die gevoed werden door traditionele waarden?

Vooral tussen 1720 en 1868 wijzigde het mens- en wereldbeeld in Japan.

De keuze voor de orde (1600-1720)

Drie wereldbeschouwingen: het zenboeddhisme, het neoconfucianisme en het shintoïsme. Uit deze drie wordt naar believen geput, sluiten elkaar niet uit.

Christendom: in 1582 aantal christenen 150.000, vooral in het zuidwesten. In 1587 verboden, verdween. Ook westerse kennis verboden. Ook het zenboeddhisme werd bestreden. Van veel groter belang in de Tokugawa-tijd was het neoconfucianisme. Confucius (551-479 vC): Chinese wijsgeer. Wilde de orde herstellen door opnieuw sociale samenhang tot stand te brengen en door normen vast te leggen, ontleend aan het feodale verleden. Geestelijke adeldom. Onderwijs en opvoeding zeer belangrijk. 11e-12e eeuw: confucianistische vernieuwingsbeweging in China (neoconf.), belangrijkste vertegenwoordiger Chu Hsi. Synthese tussen confucianisme, boeddhisme en andere geestelijke stromingen. Alles in de kosmos beheerst door li en chi, in het Japans ri en ki. Ri is het ordenende, structurerende en normatieve beginsel dat al sterk aanwezig was bij Confucius. Daarnaast het stoffelijke en actieve beginsel ki. Streven naar harmonie, evenwicht, stabiliteit, orde en continuïteit op basis van ri. Tussen mens en kosmos moest een toestand van harmonie bereikt worden. De verantwoordelijkheid voor het bereiken van die toestand berustte op basis van het ki-beginsel bij de mens. Dynamischer element door het ki-principe. Intellectueel aspect van het leven benadrukt. Kort na 1200 in J geïntroduceerd, maar voor 1600 bleef de invloed beperkt. Het Tokugawa-shogunaat vond het neoconfucianisme vooral aantrekkelijk om zijn ordende, normatieve en legitimerende karakter (ri). Week af van de Chinese vorm: conservatiever in J; in China stond de deugd centraal, in J stond de trouw centraal. De hele maatschappij was opgebouwd uit banden van trouw. In J geen recht op verzet tegen de heerser (anders dan in China). Juiste levenswijze voor verschillende groepen mensen vastgelegd in de do (wetten) sloot aan bij de gesegmenteerde standensamenleving. Elke stand had zijn eigen codex. Bv de samurai mochten geen geldelijk gewin nastreven à afkeer van cijfers. Het neoconfucianisme kreeg de status van staatsfilosofie onder de Tokugawa-dynastie. Nadien diende het steeds om de heerschappij van nieuwe machthebbers te legitimeren onder verwijzing naar het verleden. Maw: het neoconfucianisme had conservatieve, soms reactionaire trekken, al bleef in het ki-beginsel steeds een bevrijdend element behouden.

Een meer (rechts)revolutionaire rol speelde het shintoïsme, vooral in crisisperioden. Shinto: de weg der geesten of goden. Nationale godsdienst. Alleen voor Japanners; diende om J vrij van smetten te houden. Amaterasu: zonnegodin, aan wie de keizerlijke dynastie is ontsproten. Kami: oergoden. Aantal goden onbeperkt. Het shintoïsme stond in de periode 1600-1720 ten achter bij het neoconfucianisme. Door hun eclectische instelling tegenover de drie belangrijkste geestelijke stromingen was er na het begin van het Tokugawa-shogunaat geen godsdienststrijd meer in J. Geen van de drie had wereldlijke macht.

Remmende werking van het neoconfucianisme op verandering naar moderne samenleving:

De epistemologische revolutie (1720-1868)

Mentaal-culturele voorwaarden voor het ontstaan van industriële activiteit:

Naast deze algemene voorwaarden was er in J nog de specifieke ontwikkeling vh ontstaan van een nationaal bewustzijn, waarin de keizer de centrale figuur werd en waarin voor de shogun geen plaats meer was. We kunnen de geestelijke ontwikkelingen koppelen aan een aantal stromingen en bewegingen die tussen 1720 en 1868 naar voren traden:

Niet mogelijk 1 vd mentaal-culturele ontwikkelingen exclusief te verbinden met 1 vd stromingen en bewegingen; alles hangt met alles samen. In samenhang vormden de 6 mentaal-culturele ontwikkelingen een epistemologische revolutie. Het gehele wereldbeeld veranderde. Reeds voor 1868 werd afscheid genomen van de feodale orde. Ipv het neoconfucianistische synthetische wereldbeeld kwam een analytisch wereldbeeld. Harmoniemodel maakte plaats voor conflictmodel. Denkers van die tijd associeerden zich met samurai.

Schooltypen: han-scholen en de terakoya. Han-scholen: opleidingsinstituten voor zonen van de samurai (ambtenaren en militairen). Terakoya: voor niet-samurai; particuliere dorpsscholen. Aantal groeide sterk in 1e helft 19e eeuw. Lezen, schrijven, rekenen; veel aandacht voor confucianistische leer: trouw en vroomheid. Han-scholen: ook Chinees en krijgskunst. Hoge graad van alfabetisme. Veel boeken en bibliotheken. Bijdrage vh onderwijs aan modernisering: positieve houding tegenover bewuste leerprocessen. Idee onstond dat men eigen perspectieven kon verbeteren door te leren; bewuste leer-processen konden ook het lot van de natie ten goede komen. Het aanplakbord was het medium voor het publiek maken van overheidsbesluiten à mensen vertrouwd met het van boven- en buitenaf bekendmaken van vernieuwingen. Geen grote culturele kloof tussen elite en massa. Tal van politieke en sociale begrippen die na 1868 een centrale rol in de maatschappelijke en politieke discussies zouden spelen, waren voordien al bij een groot deel vd bevolking bekend. Vanaf 1780 werden op de han-scholen ook kinderen van niet-samurai toegelaten. Het schoolsysteem ging het standensysteem doorbreken; meritocratische opvattingen in het schoolwezen.

De oude school (kogaku) was een stroming binnen het confucianisme die zich afzette tegen het neo-confucianisme; wilde terug naar de oorspronkelijke Chinese teksten. Ondanks hang naar het oude veel nieuwe aspecten. Opvatting dat het shogunaat meer absolutistisch moest regeren, maar ook elementen die het shogunaat aantastten. De do waren niet eeuwig geldend, maar aan verandering onderhevig. Niet ethiek, maar geschiedenis was de hoogste vorm van kennis voor de mens. Hieruit leren wat de basis vh bestaan was en dat de werkelijkheid veranderbaar is. Idealisme maakte plaats voor materialisme en de kosmisch-ethische legitimering voor een utilitaristische. Begunstigden de gezindheid tot verandering.

Nationale school (kokugaku): kritiek op verering van het Chinese voorbeeld. Nativistische en nationalistische beweging, bepaald door het shintoïsme. Japan centraal in het wereldbeeld. Waarheid gezocht in het Japanse verleden. Lineair geschiedbeeld, drie tijdvakken: de Japanse ‘oudheid’, het pre-Chinese tijdperk dat het ideale was; de Japanse middeleeuwen als periode van verval; de moderne tijd waarin de mogelijkheid bestond van een nieuw leven gebaseerd op idealen uit de oudheid (renaissance). Wijziging in het denken over het wezen der dingen. Neoconfucianisme: wezen der dingen is harmonie met de kosmos; wereldbeeld synthetisch: niets los van zijn omgeving zien. Vanaf 1750 werd het wereldbeeld analytischer. Men ging deel en geheel van elkaar onderscheiden; idee van verschillende functies van afzonderlijke delen; men liet het idee los dat elk menselijk handelen moest corresponderen met iets in de natuur. Doorbraak empirisme. Nadruk op verschillen, tegenstellingen, gelijk-ongelijk etc. In de nieuwe epistemologie werd niet langer het geheel, doch het deel centraal gesteld. Dit denken weerspiegelde de maatschappelijke ontwikkelingen, waarin verschillen en tegenstellingen sterker naar voren kwamen. Maatschappelijke implicaties: ipv de sociale orde kwam het conflict centraal te staan. De nieuwe denkwijze legitimeerde opinies die afweken van die van de heersende elite.

Toenemende aandacht voor historische dimensie: geloof in gouden oertijd waarin J gelukkig werd geregeerd door keizerlijk huis, afstammend van zonnegodin Amaterasu; verlangen naar herstel van deze oertijd. Japan was uniek, wat bleek uit de goddelijke afstamming van de keizer. Hiervoor gebruikten de Japanners het woord kokutai: koku = natie, tai = lichaam, substantie; ‘alles wat het wezen van J omvat’. Gaf J de nationale mythe: J is uniek tov andere naties. Aanhang kokugaku vooral onder grootgrondbezitters. Nadruk op eigen taal en geschiedenis. In verschillende opzichten droeg de kokugaku dus bij tot moderniseringen in het denken: er ontstond een nationaal bewustzijn, waarbinnen aan de keizer een centrale rol was toebedacht. Het denken werd gehistoriseerd, waarbij men onderscheid ging maken tussen slechtere en betere tijden. En de kritiek op het Chinese model schiep ruimte voor het navolgen van andere voorbeelden.

Contact met Nederlanders op het kunstmatige eilandje Deshima. Na 1720 contact uitgebreid. Shogun bepleitte de ‘studie der reële dingen’ ofwel het empirisme. Gelegenheid hiertoe in contact met Nederland. Studie vh westen kreeg de naam Holland-studie, rangaku. Stroom van vertalingen van westerse boeken, vooral op praktisch gebied. Afwending van China.

Nieuwe religies onder kleine boeren: appelleerden aan het lokale shinto-geloof (kami). Uiting van onvrede met bestaande situatie. Accent op aardse bestaan en menselijk handelen. Aanhangers richtten coöperaties op. Samenhang tussen economische prestaties en geloof (Weber-these). Tegen sekse-ongelijkheid.

In reactie op deze boerenactiviteit ontstond de Mito-school. Mito: zeer grote, centraal gelegen han, echter zonder veel bestuurlijke invloed (tozama-status). Een vd heersers van Mito begon aan werk De Grote geschiedenis van Japan, geschiedwerk voortgezet in 1e helft 19e eeuw. Ideologische geschiedschrijving op nationaal niveau. Alle samurai die bevreesd waren over de opkomst van de massa van boeren en stedelingen konden zich vezamelen in de nabijheid van Edo. Zij vonden de massa dom en ongeordend, moest geleid worden, maar met liefde tegemoet treden in de vorm van voedsel en onderwijs. Onderwijs om de productie vd han te verhogen en de massa te disciplineren. Westerse dreiging bestrijden. Stand mocht geen rol spelen in militaire aangelegenheden. Om de massa te mobiliseren was een symbool nodig: de van de zonnegodin afstammende keizer moest aan het hoofd vd bevolking moeten staan ter verdrijving vd vreemdelingen. Het denken van de Mito-schrijvers (lagere samurai) was sterk bureaucratisch. Meest verticaal geörienteerd: vóór, maar niet dóór de kleine boeren. De Mito-leer was een theorie van politieke actie die het vitalisme cultiveerde. Actie centraal. Inspiratiebron voor terreurdaden (shishi: terroristen, letterlijk: vastbesloten mannen) tegen buitenlanders tussen 1854 en 1868. Besef van ineffectiviteit van deze daden en bereidheid buitenlanders tijdelijk te dulden à minder extremistische weg bewandeld door shishi, werden leiders van de Meiji-restauratie.

Samenvattend: blz. 443-444.

De energie komt vrij (1868-1885)

Invloed van traditionele waarden op het industrialiseringsproces: in het onderwijs braken meritocratische tendensen door. Toen na 1868 de formele gelijkstelling van alle individuen tot stand kwam, zette dit overal door. Opleiding werd gezien als middel om carrière te maken. Verhouding individu-natie niet als tegenstelling ervaren; individuele en collectieve belangen hand in hand. In deze fase ging individuele ontplooiing en dienst aan de natie op basis van vrijwilligheid nog samen. Er had een samurai-isering van de samenleving plaats. Dmv onderwijs kon iedereen samurai worden, trouw aan de natie ipv aan de han. Het begrip ‘dienst aan de natie’ maakte het ook de ex-samurai, die traditioneel een afkeer van geld en handel hadden gehad, mogelijk deze aversie van zich af te zetten.

Nationalisme versus individualisme (1885-1914)

Jaren 80 19e eeuw: verzet bij de elite tegen toenemend individualisme. Kende twee verschijningsvormen: niet-geëngageerde jongeren; J mocht van hen wel groot en sterk worden, als ze er maar niet aan mee hoefden te helpen. Daarnaast jongeren die openlijk individueel gewin nastreefden. Het eigenbelang begon de dienst aan familie en natie te verdringen. Bij elite kritiek op nastreven van eigen gewin of op ‘nutteloze leeglopers’. Grimmiger tijd. De naar het Pruisische voorbeeld gemodelleerde grondwet was er een indicatie van. Na 1880 zond de overheid bijna alleen nog studenten naar Duitsland. Duits model het meest geschikt geacht voor J om ‘loyale gezindheid en ware vaderlandsliefde te verbreiden en de ultra-liberale tendensen tegen te gaan’. In 1890 drong men aan op wijzigingen in het onderwijssysteem. Schoolwet van 1890 benadrukte weer het neoconfucianisme als schoolvak. Doel onderwijswet: de basis van het land te versterken door de deugden van onderworpenheid aan de vader en van broederliefde, trouw en oprechtheid te onderhouden; aankweken van vaderlandsliefde. Dus onderwijs puur aan nationale doelstellingen ondergeschikt gemaakt. Publiceren van schoolboeken alleen door overheid. Shinto-mythologie als waarheid gepresenteerd. Vanaf 1908 was de kokutai onderwerp van serieuze studie. Van grote invloed op deze ‘nationalisering’ vh onderwijs was de aankondiging vd grondwet (1889) in 1881. De elite maakte zich zorgen over de toenemende politieke participatie die dit met zich mee zou brengen, dus leerlingen moesten als loyale staatsburgers opgevoed worden.

Na het succes in de oorlog tegen Rusland werd de elite voorstander van expansie. Het Japanse imperialisme diende mede om individualistische tendenties te beteugelen.

Een modern klassebewustzijn bleef vanaf 1885 vrijwel uit. De samurai-isering en de kleinschaligheid van de industrie voorkwamen een dergelijke ontwikkeling. Het individu plaatste zich in dienst van de natie of in dienst van zichzelf. En middenweg in de vorm van een klasse leek onmogelijk. Zelfs de zeer kleine socialistische beweging bleef in nationale termen denken.

Samenvattend: de mentaal-culturele ontwikkelingen in J vóór 1868 lijken in veel opzichten op die in het westen. Opkomst empirisme, waardering individuele creativiteit en Diesseitigkeit. Toen de grenzen open gingen was het land, mede dankzij een hoog percentage geletterden, in staat de kenniskloof snel te dichten. Er was een vorm van hypernationalisme ontstaan, die door dreiging van buitenaf in de 19e eeuw extreem werd. Het stelde J in staat de grote krachtsinspanning te leveren die nodig was de industrialiseren. Tegelijk was het nationalisme naar binnen toe een bindmiddel dat de atomiserende krachten in toom moest houden. Dit nationalisme kreeg een anti-moderne en irreële inslag. De nationale doctrine (kokugaku) maakte in de 1e helft vd 20e eeuw plaats voor het idee dat J een uitverkoren natie was.

Japanse begrippen:


| Index | Geschiedenis | Industriële Samenlevingen | Vorige | Volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

Winnie de Keizer (2002)