Inleiding
Grote Transformatie: het ontstaan van industriële samenlevingen uit agrarische samenlevingen.
Drie politieke instituties: de staat, politieke partijen, geheel van politieke rechten en plichten vd leden van een staatssamenleving. Veranderingen in deze structuur in samenhang met industrialisering, beschouwd op langere termijn: periode 1780-1920. In Eng en D van dynastieke, agrarische staatssamenleving naar nationale industriële staatssamenleving. Voor 1780: absolutistische dynastieke staat (Eng: beperkt). Begin van het einde vd dynastieke staat: 1789.
Kenmerken dynastieke staat: centralisering, grootste macht bij koning met klein aantal ministers en beperkte civiele bureaucratie. Geen grondwet, geen parlement dat regering controleerde. Geregeerd per decreet, weinig differentiatie tussen wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht, berustten alle 3 bij de koning. Dus grote machtsconcentratie binnen kleine standsgebonden elite.
Taken en functies: verdediging naar buiten toe (defensie), handhaven openbare orde binnen de staat (repressie) en garantie vd eigendomsverhoudingen en, ter financiering vd staat, heffen van belastingen (extractie). Fundament: gecombineerd gewelds- en belastingmonopolie.
Bevolking uitgesloten van bestuur, had vnl plichten en weinig rechten.
Kenmerken moderne nationale staat: sterker gecentraliseerd, sterke groei vd staatsapparaten. Centrale macht bij regering en bureaucratische top. Constitutie en parlement, beheerst door politieke partijen, aan verandering onderhevig (verkiezingen). Uitvoerende, wetgevende en rechtsprekende macht gedifferentieerd. Machtsconcentratie in centrum groot, maar regeerders afhankelijk van andere maatschappelijke machten. Politieke elite niet meer standsgebonden; partijlidmaatschap, opleiding en klasseherkomst bepalend.
Taken en functies: sterk uitgebreid. Defensie, repressie en extractie fundamenteel; daarnaast coördinerende, integrerende, dienstverlenende en redistributieve taken. Daardoor zijn centralisering, bureaucratisering en regulering, en de vervlechting van staat en samenleving sterk toegenomen. Het gewelds- en belasting-monopolie zijn kern vd staatsmacht gebleven.
Participatie en invloed bevolking toegenomen. Nationale soevereiniteit bij het volk; volwassen leden vormen politieke gemeenschap waarbij iedereen gelijke rechten en plichten heeft.
De staatsontwikkeling is in sterke mate beïnvloed door de toenemende complexiteit tgv industrialisering en door het ontstaan en de ontwikkeling van nieuwe klassen die op termijn hebben bijgedragen aan de groei van nieuwe politieke machtsverhoudingen.
Ontwikkeling machtsverhoudingen in Eng: meest evenwichtig, minst gewelddadig. Hervormingen tgv druk vanuit bourgeoisie, middenklasse en arbeidersklasse. Politieke ontwikkeling combinatie van repression and reform.
In D: later. In 1848 revolutionaire bewegingen, mislukt à scherpe reactie vd machthebbers. Dynastiek bestel in Pruisen hersteld. 1871-1918: hybride politiek-institutionele structuur: wel parlement, geen burgerrechten in grondwet; voortbestaan dynastiek staatsbestel: grote macht voor keizer, dominantie vd adel in bureaucratie en leger. Repressie en paternalistisch-autoritaire sociale maatregelen. Bismarck: revolutie van bovenaf nodig om revolutie van onderop te voorkomen.
Engeland: industrialisering en de ontwikkeling van een democratische staat
Het constitutionele dynastieke bestel
1850: Eng als 1e en enige geïndustrialiseerd. Politiek-institutionele situatie: gematigd dynastiek bestel (beperkte monarchie). Slechts 4% vd bevolking had stemrecht. Politieke eenheid. Zwakke centrale macht, moest rekening houden met hoge en lage adel en welgestelde bovenlaag vd burgers. Parlement beperkte vorstelijke macht. Ministers hadden verantwoordelijkheid tov vorst en parlement. Geen politieke democratie. Nog sprake van patronage en corruptie. Adel geen gesloten front. Tweedeling in politieke stroming: Tories en Whigs. Tories: voorstanders van grote privileges voor vorst en voor eigen (grootgrondbezittende) stand en Anglicaanse kerk. Onverdraagzaam tov protestanten en rk. Voor handhavind status quo. Aanhang onder gentry. Whigs: voor macht bij parlement, beperking vorstelijke macht, voor politieke en religieuze vrijheid. Meer open voor belangen burgers in politiek. Deze verdeeldheid onder adel bevorderde politieke emancipatie van buitengesloten strata. Adel accepteerde legitimiteit van politieke instituties, hadden geen vrijstelling van belasting, commerciële bezigheden niet beneden hun stand geacht. Veel nieuwkomers onder adel. Geen scherpe scheidslijn tussen adel en burgerij: verburgerlijking vd adel.
Repressie en hervorming in de vroeg-industriële periode (1780-1850)
Eind 18e eeuw: toenemende polarisatie tussen regeerders en geregeerden. Reactie: repressie van lagere strata en radicale groepen; hervormingen tgv gematigde groepen. Patroon van repressie en hervorming tussen 1780 en 1832, herhaalt zicht tussen 1832 en 1850.
1780-1832: transformatie naar klassensamenleving gevorderd. Nieuwe politieke verhoudingen, 3 nieuwe ideologieën: liberalisme, radicalisme, conservatisme. Machtsstrijd resulteerde in 1e grote politiek-institutionele hervorming: Great Reform Bill (1832). Koning poogde meer macht te krijgen à oppositie van Radicals, eisen: beknotting macht koning, beperking corruptie, vergroting macht parlement, einde oorlog met Amerika. Parlement besloot einde te maken aan machtsstreven vorst. Twee stromingen binnen Radicals: liberalisme en utilitarisme (aanhang onder bourgeoisie, middenlagen en deel vd Whigs); radicaal democratische stroming (aanhang onder ambachtslieden en lagere strata). Paine: vrijheid en gelijkheid. Franse Revolutie leidde tot splitsing Radicals. Radicaal-democratische vleugel onderdrukt. Tories beheersten de kabinetten tot 1830. Antirevolutionair: Edmund Burke. Na wegvallen oorlogsdruk (na 1815) roep om hervormingen à Great Reform Bill (1832): verdubbeling landelijk electoraat, enige verbetering vd representativiteit vh parlement. Vier gevolgen:
Periode 1832-1850: herhaling van patroon van politieke verandering. Twee politieke bewegingen: Free Trade Movement en Chartist Movement. FTM: ondernemende middenlagen, liberaal-utilitaristisch, voor vrijhandel en afschaffing belastingen op handel. Hervormingen onder hun druk vanaf 1842. Inkomsten-belasting ipv exportsubsidies, uitvoerrechten en invoerrechten; 1846 herroeping Corn Law en protectionistische navigatiewetten succes liberale beweging. Macht bij burgerij ipv bij adel. Chartisten: voor algemeen mannenkiesrecht, kiesdistricten van gelijke bevolkingsomvang, afschaffing bezitsvereisten voor MP’s, salaris voor parlementsleden, geheime stemming bij verkiezingen, jaarlijks te houden verkiezingen voor parlement. Niet succesvol.
Politiek-institutionele ontwikkelingen in de Whig-liberale periode (1850-1874)
Twee perioden: 1850-1875 en 1875-1914. 1e periode: stijgende welvaart. Whig-liberale kabinetten. Veel nieuwe wetgeving en bestuurlijke hervormingen. Verruiming kiesrecht bij 2e Reform Bill (1867). Vakbondsrechten. Fabriekswetgeving (textiel) 1847: Ten Hours Act (10-urige werkdag). Herziening/uitbreiding wet in 1851, 1860 en 1861 naar andere industrieen. Laissez-faire-liberalisme transformeerde in sociaal liberalisme. Strakkere organisatie politieke partijen. Eind jaren 80 waren conservatieven en liberalen nationale gebureaucratiseerde massapartijen geworden. Vanaf 1872 stemmen geheim. In 1883 werd verkiezingscorruptie verboden.
Politiek-institutionele ontwikkelingen in de Tory-conservatieve periode (1875-1914)
Derde politieke partij: Labour Party. Omstreeks1875 keerpunt: economische crisis door veranderingen in wereldmarkt: Amerikaans graan à daling prijzen en inkomens; concurrentie in handel en industrie à twijfels aan economisch liberalisme, opleving protectionisme en imperialisme. 1874-1905: Tory-conservatieve kabinetten. Groei van kracht en omvang bureaucratie (civil service) en lokaal bestuur. 1884-85: 3e Reform Bill: forse verruiming kiesrecht: vrijwel de gehele mannelijke bevolking, sterker Lagerhuis. Rol Hogerhuis in 1911 sterk ingeperkt. Hierdoor veel sociale maatregelen. Voortschrijdende democratisering leidde tot toenemend conservatisme bij hogere strata. Opkomst liberaal geörienteerd socialisme, steunde op Engelse traditie van radicalisme, nauwelijks beïnvloed door marxisme. Sociaal-democratische partij opgericht in 1900. Tussen 1906-1914 begin van welfare state: uitkeringen. In ruim 100 jaar had de Eng samenleving zich ontwikkeld tot een vergaand geïndustrialiseerde maatschappij met een tamelijk stabiel parlementair democratisch systeem met in principe gelijke rechten en plichten voor alle staatsburgers.
Duitsland: industrialisering en de persistentie van een autoritaire staat
De dynastieke Pruisische staat
Tot 1850 was Pruisen een dynastieke staat bij uitstek. Macht bij vorst; adel afhankelijk van vorst. Adel toegewijd aan dynastie, geen verdeeldheid in politieke stromingen, vooral omdat er geen parlementaire traditie bestond. Adel negatief tov handel en industrie, keek neer op sociale lagen onder hen, dus scherpe scheidslijn adel-burgerij. ‘Feodalisering’ van de burgerij. Standenordening rond 1850 realiteit, hangt samen met het feit dat de samenleving economisch minder ontwikkeld en minder gedifferentieerd was dan de Engelse. Politiek klimaat tussen 1815-1848 sterk autoritair-conservatief: beknotting politieke vrijheden. Na 1830 kregen liberale en nationalistische ideeën meer aanhang onder burgerij, vnl onder de Bildungsbürger.
De revolutie van 1848 en haar nasleep
Politieke elite bleef tegen meer invloed vd bevolking op staatsaangelegenheden, tegen politiek liberalisme. Een conservatief en autoritair nationalisme bleef de enig mogelijke politieke ideologie. Grondwet van 1848: aantal burgerlijke grondrechten (gelijkheid voor de wet, vrijheid van meningsuiting, van religie en van vereniging en vergadering). Wetgevende macht: koning en vergadering van 2 kamers. Geen volkssoevereiniteit, monarchie bij goddelijk recht. Conservatieve ombuigingen tussen 1849 en 1853. Militairen hoefden geen eed van trouw af te leggen aan grondwet. De constitutie was in feite een wankel evenwicht tussen liberaal-constitutionele principes enerzijds en absolutistische principes anderzijds met een overwicht van de laatste. Gevolg: ernstige politieke problemen.
Industrialisering en staatkundige unificatie (1850-1871)
Snelle industrialisering. Grootscheepse spoorwegaanleg. Verweving met wereldeconomie. Sociaal: ontstaan nieuwe klassen: nieuwe bourgeoisie, arbeiders. Politiek-institutioneel: vorming D rijk, conflict tussen parlement en regering in Pruisen, eindigend in nederlaag voor parlement en politiek liberalisme, eerste aanzetten vorming politieke partijen. Duits-nationale bewegingen. Organisatie: Nationalverein, voorloper vd Duitse nationaal-liberale partij. Aanhang: welgestelde burgers. Monarchistisch. Voorstander van laissez-faire-liberalisme. Voor versterking van burgerrechten en vh constitutioneel functioneren van parlement en regering. Botsingen tussen parlement en koning vanaf 1858 over legerhervormingen. Afgevaardigden verwierpen begroting in 1862, regime regeerde eigenmachtig verder. Bismarck 1e minister, begreep dat er nieuwe maatschappelijke verhoudingen waren ontstaan agv industrialisering. Onder zijn leiding eenwording D na reeks oorlogen. Invoering vrijhandel in 1862. Liberalen buitenspel: meerderheid stelde zich tevreden met economische speelruimte, streed niet verder voor politieke hervormingen. Na 1866 twee liberale partijen à blijvende verdeeldheid. Andere politieke partijen kwamen op: conservatieven, katholieken en arbeiders.
Conservatieven: verdeeld in 2 stromingen. Pruisische adellijke grootgrondbezitters (agrarische belangen), grote invloed door bindingen met staatsbureaucratie, leger en hof. Andere stroming: Freiconservativen, later Deutsche Reichspartei: grote industriëlen.
Katholieken: Zentrumpartei (1870). Aanhang in alle sociale lagen. Meest conservatief; tegen centralisering en voor eigen religieus onderwijs; voor hervormingen op sociaal gebied, voor bescherming lagere strata tegen liberaal kapitalisme.
Arbeidersbeweging: 2 stromingen, een socialistische en een marxistische. Gingen in 1875 samen: Duitse Sociaal-Democratische Partij. Voor algemeen en gelijk kiesrecht, vrijheid van vereniging en sociale hervormingen.
Samenstelling 1e Rijksdag: socialisten 3,2%, conservatieven 23%, liberalen 46%, katholieken 24%. Maar macht en invloed van politieke partijen zeer beperkt.
Het Duitse Keizerrijk (1871-1918)
Consolidatie van autoritaire staat. Liberale en democratische krachten niet sterk genoeg om dit te veranderen. Reden: de twee grote politiek-economische tegenstellingen die met industrialisering gepaard gingen (commerciële/industriële belangen – agrarische belangen en industriële ondernemers – nieuwe arbeidersklasse) ontwikkelden zich in D anders dan in Eng. Steeds sterker conservatief en autoritair nationalisme, belemmerde politieke en sociale hervormingen, manifesteerde zich in agressief imperialisme. Inrichting staat: federatieve bondsstaat, in grondwet ontbraken het natiebegrip, principe van volkssoevereiniteit en alle burgerlijke grondrechten muv het kiesrecht. Rijksdag had zeer beperkte rechten en bevoegdheden. Uitvoerende macht zeer sterk binnen staat. Leger en civiele bureaucratie buiten grondwet, loyaal aan keizer. Geen ministeriële verantwoordelijkheid (schijnconstitutionalisme). Politieke partijen niet als bemiddelende instantie tussen staat en samenleving. Regeringen afkerig van concessies. Bismarck werkte aanvankelijk goed samen met de liberalen. Repressie van katholieken: Bismarck in coalitie met liberalen (Kulturkampf); toch won de Zentrumpartei 41 zetels! à campagne gestaakt. Einde van samenwerking met liberalen. Ook einde aan economisch liberalisme. Nu keerde de staatsmacht zich tegen de sociaal-democratische arbeidersbeweging. Dat dit alles mogelijk was hing samen met de ontwikkeling van de politiek-economische tegenstelling tussen handels- en industriebelangen enerzijds en agrarische belangen anderzijds die (net als in Eng) een tegenstelling tussen bourgeoisie en adel was. 1873: ijzerindustrie in de problemen door verminderde vraag, concurrentie van Eng en Fr. Roep om protectionisme. Ijzerfabrikanten verenigden zich, werkten samen met textielfabrikantien (Centralverband deutscher Industrieller, 1876), wilden protectionistische maatregelen. Nationalistische argumenten: D mocht niet afhankelijk zijn van een potentieel vijandig buitenland. Argumenten overgenomen door Nationale School. Wilde ook sociale problemen bestrijden. Ook Zentrumpartei hier voorstander van uit anti-kapitalistische en anti-liberale overwegingen. Ook partijen met agrarische belangen voorstanders van protectionisme. 1877: ‘huwelijk tussen ijzer en rogge’. Coalitie tussen hogere industriële bourgeoisie en grootgrondbezittende adel.
1878: aanslagen op keizer, sociaal-democraten kregen de schuld, deze verdedigd door liberalen. Bismarck ontbond de Rijksdag à campagne tegen sociaal-democraten en liberalen. Nekslag voor Duits liberalisme.
Vanaf 1879 tal van protectionistische maatregelen. Lasten kwamen voor rekening van bevolking. Socialistenwetten: verbod op alle sociaal-democratische verenigingen. Gingen in het buitenland en ondergronds verder. Socialistische fractie in Rijksdag niet verboden, groeide sterk. Socialistische beweging wees het politieke stelsel af. Beweging niet echt revolutionair. Partij wenste sociaal-reformistisch beleid.
Na 1883 wel invoering allerlei sociale wetten, maar lengte arbeidsdag niet geregeld, vrouwen- en kinderarbeid niet gereguleerd, geen fabrieksinspectie, geen vakbondsvrijheid.
1888: Wilhelm II keizer, einde loopbaan Bismarck. Politieke koers: geen wijzigingen in politieke structuur en machtsverhoudingen. Militaristische figuur. Samenleving antiliberaal, antisocialistisch, antisemitisch en antidemocratisch; nationalistisch; diep verdeeld. Imperialisme: Weltmachtpolitik. Marine en leger sterk uitgebreid. In ruim een halve eeuw was D van een politiek gefragmenteerde en economisch onderontwikkelde samenleving een geïndustrialiseerde samenleving geworden met een machtige autoritaire staat olv een nog steeds pre-industriele elite, met een zwak parlement en met ongelijke en wankele burgerrechten.
Conclusie
Eng: industrialisering initiërend, voortgekomen uit de samenleving zelf , proces geleidelijk voltrokken over een periode van ruim een eeuw.
D: industrialisering reagerend, een aan de samenleving vreemd importproduct, proces snel: in ruim een halve eeuw.
Staat
Politieke bewegingen
Democratisering versus conservatisme
Rol vd bourgeoisie
Verhouding adel-bourgeoisie
De arbeidersklasse
Internationale aspecten
Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland
Winnie de Keizer (2002)