De ethiek van Aristoteles

Teleologische of eudemonistische ethiek. De vader van de deugdethiek.

Doel (telos)
Geluk (eudaimonia)
Deugd (aretè), het optimaal functioneren van de mens
Plezier (hèdonè)


Historische en systematische situering

Geboren 384 v. Chr., overleden 322 v. Chr. Leefde aan het eind van de klassieke periode.
Periodisering:
De periode van de homerische epos (de ilias en de Odyssee)
Klassieke periode
Hellenisme: de periode die begint met de veroveringen van Alexander de Grote en de vestiging van diens wereldrijk, en die loopt tot de opkomst van het Romeinse rijk.

Aristoteles is een tijdgenoot van Alexander de Grote. Hij was jarenlang diens huisleraar aan het hof van zijn vader Phillippus II van Macedonië.

De Griekse polis. Politiek autonoom, economisch zelfstandig en een eigen culturele en vaak religieuze identiteit.

Homerische epos: kenmerk an dit gedramatiseerde verleden: kwalificaties als goed en deugdzaam zijn vooral gerelateerd aan iemands maatschappelijke functie.

Klassieke periode: de sofisten, rondtrekkende leraren. "Wat is rechtvaardig?"
Socrates (469-399 v. Chr.) en Plato (428/427-348 v. Chr.)
In de dialogen van Plato draait het steeds om de vraag naar een eerste principe of hoogste norm (de idee van het goede of het goede op zich). Aristoteles is een leerling van Plato, hij studeert aan diens Academie.

Aristoteles' belangrijkste boek over de ethiek, de Ethica Nicomachea.
Als de idee van het goede in metafysisch opzicht al verdedigd zou kunnen worden, dan nog hebben we er niets aan voor de ethiek. Wat we in de ethiek zoeken, is immers het goede dat we in onze dagelijkse praktijk kunnen verwezenlijken.

Veel duidelijker dan bij Plato is er bij Aristoteles sprake van afzonderlijke wijsgerige disciplines. Een ander kenmerk van zijn oeuvre is de grote aandacht die hij heeft voor empirisch onderzoek.

Andere ethische geschriften van Aristoteles: Over het goede (dictaat van een college van Plato) en de Ethica Eudemia. De Ethica Nicomachea is een verdere uitwerking van de Ethica Eudemia.

Aristoteles merkt herhaaldelijk op dat we van de ethiek niet veel exactheid moeten verwachten. Het goede is niet hetzelfde voor iedereen en op ieder moment. Men is in de ethiek aangewezen op retorische bewijsvoering.
Twee noodzakelijke voorwaarden van een retorisch verantwoord betoog: ethos van de spreker (betrouwbaarheid) en het pathos van de toehoorder (zijn ontvankelijkheid).

Retoriek wordt uitgebreid besproken in de cursus Argumentatie, leereenheid 13.

Alleen door vorming verwerft men kennis van de in principe al bekende ethische beginselen. Levenservaring is volgens Aristoteles een vereiste!
Evenmin als we deskundig kunnen worden in esthetische zaken wanneer we niet kunnen uitgaan van de gevormde ervaring van het schone, evenmin zullen we ethische kennis verwerven wanneer we niet kunnen bouwen op een 'voor-weten' omtrent wat goed is. De normatieve ethiek doet onvermijdelijk een beroep op een moreel voor-weten.


Grondlijnen van de ethiek van Aristoteles

Het hoogste goede is geluk: eudaimonia.

De ethiek van Aristoteles is een teleologische ethiek, zij volgt de logos (logica) van het telos (doel). Teleologische ethiek is bij Aristoteles ingebed in een teleologische metafysica. Een teleologische metafysica begrijpt alle werkelijkheid in relatie tot een doel dat nagestreefd wordt. Alle zijnden zijn in beweging naar de verwerkelijking (energeia) van wat ze in aanleg (dunamis) zijn.
In zekere zin hebben de dingen hun doel in zichzelf (entelechie): het doel is als het ware de oorzaak (doeloorzaak, causa finalis) van wat de dingen zijn: beweging naar de verwerkelijking van hun doel.

Teleologie berust niet op een menselijke of goddelijke bedoeling, het is immanent aan de dingen.

De wezenlijke bestemming van de mens is voorafgegeven en moreel van aard.
Voor Aristoteles ligt het doel van het menselijk handelen in de verwerkelijking, niet van wat de mens tot doel stelt, maar van wat zijn wezenlijke bestemming is.

Er zijn verschillende soorten van doelen. Het ene doel is weer middel ter bereiking van een ander doel. Uiteindelijk moet er een laatste doel of hoogste goed zijn, dat niet meer in dienst van iets anders staat, maar dat omwille van zichzelf wordt nagestreefd.

Doelen die men bereikt in het product (poièsis)
Doelen die men bereikt in de handeling op zich (praxis)
Het hoogste doel is de optimale voltrekking van het leven.

De activiteit waarin het geluk bestaat (de optimale levensvoltrekking) moet duurzaam zijn.

Aretè: voortreffelijkheid, deugd.

Antropologie van Aristoteles:

Mens: ziel (psychè) en lichaam (sooma)
Ziel: rationeel deel (to logon echon) en irrationeel deel (to alogon)
Rationeel deel: Het denken om het denken zelf en de praktische rede (logistikon)
Irrationeel deel: Het verlangen dat geschikt is om door de rede geleid te worden (orètikon) en het zuiver irrationele.
Orètikon en logistikon zijn eigenlijk twee kanten van het zefde. In de mens is de rede in staat om het verlangen te vormen, en dat verlangen is geschikt om door de rede geleid te worden.

Twee soorten deugden, intellectuele deugden en ethische deugden.

De karakterdeugd

De ethische deugd is de door gewoonte gevormde ofwel karakterdeugd.
De deugd is niet aangeboren, maar ook niet bovennatuurlijk. Niemand is deugdzaam zonder vorming. Aristoteles onderscheidt de zelfbeheersing van de echte deugd. De deugd als een tweede natuur, als dispositie.
Deugden zijn disposities tot houdingen en handelingen die geluk realiseren, en waarom we geprezen worden.
Deugdzaam is degene die als vanzelf de juiste houding kiest.

Aristoteles volgt wat de deugd betreft het klassieke schoonheidsideaal van de juiste proporties. Deugd is het juiste midden kiezen tussen extremen. De gulden middenweg wordt bepaald al naar gelang de situatie. Het gaat hier niet om een objectief midden, maar om een midden met betrekking tot onszelf. Het juiste midden wordt bepaald door de logos.

Aristoteles' definitie van de deugd: een dispositie die ons kiezen richt op het midden, dat steeds een midden is met betrekking tot onze eigen situatie is, en dat door de logos wordt bepaald, of dat bepaald moet worden zoals de verstandige dat zou doen.

De intellectuele deugd

De optimale verwezenlijking van de logos.
Tweedeling van de logos in epistèmonikon en logistikon. De eerste zoekt de waarheid met betrekking op het eeuwige en noodzakelijke, de tweede betrekt zich op het veranderlijke.

Technè: realisering van de logos. Dat wat gemaakt wordt. De technè is een naar waarheid weten hoe iets te maken.

Morele kennis is geen instrumentele kennis. Morele verstandigheid is niet slechts gericht op het eigen welzijn, maar onvermijdelijk ook op dat van de gemeenschap waarvan men deel uitmaakt.

Aristoteles besteed meer aandacht aan phronèsis dan aan de epistèmonikon. Deze laatste wordt echter door Aristoteles als het allerhoogste gesteld.
Een leven geheel aan de intellectuele beschouwing toegewijd gaat het menselijke vermogen te boven. Het is iets goddelijks, waarna we weliswaar moeten streven, maar dat onze menselijkheid niet geheel kan doen vergeten of verlaten.

Plezier

De opvatting dat het in het leven gaat om het plezier werd door Aristoteles als behorend tot een dierlijk leven van de hand gewezen. Maar geluk zonder genot is een absurditeit.
Aristoteles vat plezier op als datgene wat we ervaren wanneer een activiteit optimaal kan worden uitgevoerd.
We streven de activiteit na om het genot ervan, maar het genot zet ons aan tot voortzetting van de activiteit. geen hedonisme!


Enkele typische proeven

De peripatische school nam na Aristoteles' dood snel in betekenis af.
In de eerste eeuw voor Christus neemt de belangstelling voor het peripatische gedachtengoed weer toe. Met het verdwijnen van het Romeinse Rijk verdwijnt echter ook deze filosofie.
Via Arabische denkers als Avicenna en Averroës komt het aristotelische denken rond de twaalfde eeuw Europa opnieuw binnen, en is van grote invloed op de middeleeuwse filosofie. Aristoteles had vooral een grote invloed op de filosofie van Thomas van Aquino.

De ethiek van de vroeg-moderne tijd probeert tot een moraal te komen op basis van een constructie met elementen die aan een naturalistische analyse van de mens ontleend worden: zijn primaire neigingen en behoeften. In het utilisme krijgt deze opvatting van moraal zijn sterkste uitdrukking. Het is ook een teleologische ethiek, maar anders dan de aristotelische. In het utilisme ligt de nadruk op het individu en er is geen onderliggende teleologische metafysica. Bij Aristoteles werd de moraal niet geconstrueerd, maar gereconstrueerd uit de natuur. Het doel van menselijk leven ligt voor een klassiek-teleologische ethiek als moreel gekwalificeerd doel in de natuurlijke orde besloten. In de moderne teleologie van het utilisme is dat niet het geval.

De deontologische ethiek van Kant, hij verzet zich tegen iedere vorm van eudomisme hetgeen volgens hem neerkomt op een euthanasie van de moraal. De moraal geldt hier niet meer categorisch.

Kenmerkend voor de moderne tijd is het verdwijnen van een metafysica die de natuur, inclusief de menselijke natuur, op een moreel normatieve manier begrijpt en daarmee een fundament voor de ethiek levert.

Smalle moraal: minimum van regels dat noodzakelijk is om individuen met een maximale vrijheidsruimte het bij elkaar te laten uithouden.
Brede moraal: Perfectionistische, maximaliserende moraal, een theorie van het goede leven.


| Index | Filosofie | Ethiek | volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

Peter Prevos (2000)