Aristoteles: teleologische ethiek een
handeling is moreel als zij gericht is op het goede doel
Kant: deontologische ethiek beoordeling van de
handeling op zich.
Het belang van de ethiek van Kant:
Kants ethiek is van groot belang geweest voor de ontwikkeling van de mensenrechten.
Kants ethiek vormt het voornaamse doelwit van de aanvallen van diegenen die een terugkeer naar een aristotelische deugdenethiek bepleiten.
De historische en filosofische context van Kants ethiek
Geboren 1724 te Köningsberg (Oost-Pruisen). Studeerde theologie, filosofie
en natuurwetenschappen. Promotie in 1755. In 1770 hoogleraar in de metafysica.
Overleden in 1804.
Kant heeft Köningsberg nooit verlaten. Hij nam echter
wel kennis van allerlei recente onderzoekingen op etnologisch gebied.
Theoretische kennis over de wereld is van een ander type dan de vraag naar
moraliteit.
Hij was een voorstander van de Franse en Amerikaanse revolutie. Het einddoel
van de het mensengeslacht ligt in het bereiken van de meest volmaakte staatsinrichting.
Kant was een tegenstander van censuur.
Hij was nauw betrokken bij de achttiende eeuwse beweging, de Verlichting. "Verlichting
is het uittreden van de mens uit de onmondigheid waaraan hij zelf schuld is.
Onmondigheid is het onvermogen zich van zijn verstand zonder leiding van anderen
te bedienen."
Het eerste beginsel van de Verlichting luidt: "Denk zelf!".
De bron van waarheid is niet het eigen, particuliere oordeel, maar het algemene,
via communicatie met andere bereikte universele oordeel.
In zijn denken moet men met zichzelf in overeenstemming zijn.
Wat is kritiek? Kant als kritisch filosoof.
Centrale vraagstelling van Kant: Wat kan ik weten? Wat
behoor ik te doen? Waarop mag ik hopen? Wat is de mens?
Belangrijkste werken: Kritiek der reinen Vernunft, Kritiek der praktischen
Vernunft en Kritiek de Urteilskraft.
Kritiek heeft in deze zin een neutrale, juridische betekenis, die van de onpartijdige
rechter die een zo objectief mogelijk oordeel beoogt.
Kritische toetsing door de rede. Geen enkel domein van het menselijke bestaan
mag zich aan de kritische activiteit van de rede onttrekken.
De kantiaanse kritiek houdt niet alleen het afbreuk doen aan onterechte competenties
in, maar ook een onderzoek naar de mogelijkheden van de theoretische en praktische
rede.
De kritiek van de theoretische rede
Rationalisme: de rede, de ratio, vormt de noodzakelijke en voldoende voorwaarde
voor kennis want de zintuigen bedriegen ons. (a-priori)
Empirisme: kennis over de werkelijkheid is een gevolg van een proces van generalisering
en van abstrahering uit zintuiglijke ervaring (a-posteriori).
Volgens Kant zijn rationalisme noch empirisme bevredigend.
Het rationalisme bewijst te veel, het empirisme toont te weinig aan.
Kants onderzoek naar de theoretische rede is een onderzoek naar de mogelijkheidsvoorwaarde
van zulke objectieve, algemene kennis. Hoe zijn synthetische oordelen a-priori
mogelijk?
Een analytisch oordeel is a-priori, het gaat aan de ervaring vooraf.
Synthetische oordelen: datgene wat over het subject wordt gezegd vloeit niet
voort uit een begripsanalyse van het subject. De verbinding tussen subject en
predikaat komt tot stand middels de ervaring. A-posteriori.
Synthetische oordelen a-priori zeggen iets algemeens over de werkelijkheid.
Oordelen die de kennis echt uitbreiden en over de contingente ervaring heengaan.
Kant overstijgt hiermee de eenzijdigheid van het rationalisme
en het empirisme.
Er zijn twee bronnen van kennis, ratio en waarneming. Het verstand ordent door
middel van zijn categorieën de stroom van ordeloze zintuiglijke gewaarwordingen
tot een samenhangende gebeurtenis.
Causaliteit is niets van de werkelijkheid zelf, maar een categorie van het
verstand.
Ons kennen richt zich niet naar de dingen, maar de dingen verschijnen ons enkel
door zich naar de categorieën van het verstand te richten (Copernicaanse
wending).
De metafysica is derhalve als wetenschap niet mogelijk. Het is onmogelijk theoretische
uitspraken te doen over objecten die niet in de ervaring gegeven zijn.
We moeten agnostisch zijn ten aanzien van godsdienst. Kennis van datgene wat
(eventueel) aan gene zijde van de ervaring ligt, is onmogelijk omdat het metafysische
grenzen van de mogelijke kennis overschrijdt.
De geldigheid van morele geboden is niet afhankelijk van God.
Rede: theoretische rede (kennis) & praktische rede (bepaling van de wil)
Theoretische rede: analytische oordelen a-priori, synthetische oordelen a-posteriori
& synthetische oordelen a-priori.
Praktische rede: maximes (subjectieve grondbeginselen voor het handelen) &
imperatieven (praktische wetten)
Imperatieven: hypothetische imperatieven (voorwaardelijk) & categorische
imperatieven (onvoorwaardelijk)
Hypothetische imperatieven: technische & pragmatische imperatieven.
De categorische imperatief als criterium van de zedelijkheid
De oorsprong van objectieve kennis zowel over de werkelijkheid als over het
goede is gelegen in de redelijkheid van de mens.
De praktische redelijkheid betekent dat de mens in staat is zijn handelen te
baseren op redelijke overwegingen. De mens is in zijn handelen niet volledig
gedetermineerd.
De ethiek is zinloos wanneer de veronderstelling dat de mens een zekere distantie
kent ten opzichte van de hem bepaalde wetmatigheden, niet gemaakt kan worden.
Een volledig determinisme sluit de ethiek uit.
Kants ethiek heeft een absoluut, universeel karakter.
Kritiek op deze pretentie: de morele dilemma's waarmee mensen worden geconfronteerd
zijn particulier van aard, universele geboden zijn dan zinloos.
Het moreel goede
Kant richt zich in zijn ethische geschriften op de
goede wil.
Bij het moreel goede spreken we over goed in een absolute zin en niet in een
relatieve zin. Het is het onvoorwaardelijk goede.
Moraliteit (particulier), politieke gerechtigheid (de samenleving)
De goede wil
Op het persoonlijke vlak is het enige wat als echt goed kan gelden, de goede
wil. Alle zogenaamde goede eigenschappen
kunnen namelijk ook in slechte zin worden gebruikt.
De kortst mogelijke aanduiding van wat een goede wil is, is een wil die handelt
op grond van de plicht.
Maxime: subjectieve grondbeginselen voor het handelen, die een algemene bepaling
van de wil bevatten en meerdere concrete regels onder zich hebben. Zij geven
principes van een bepaald individu weer.
Imperatieven: regels die voor ieder individu gelden.
Technische imperatieven: Welke middelen moeten worden ingezet om een bepaald
doel te bereiken.
Pragmatische imperatieven: bepalen wat een individu moet doen om zij wil zijn,
zijn geluk te bevorderen.
Deze twee soorten zijn de hypothetische, voorwaardelijke, imperatieven. Deze
zijn onvoldoende om te weten wat de goede wil is.
Kants ethiek is, in tegenstelling tot die van Aristoteles,
niet eudemonistisch. Ook een wil die zich laat leiden door het doel van het
geluk, is niet in onvoorwaardelijke zin goed.
Geluk is in tegenstelling tot de opvatting van Aristoteles
bij Kant in hoge mate een leeg begrip.
Omdat geluk alleen particuliere invullingen kent, zijn de regels die voorschrijven
hoe dat geluk moet worden bereikt, hypothetische imperatieven.
De categorische imperatief
Centraal begrip in Kants ethiek.
De categorische imperatief zet de wil aan om op een bepaalde wijze te handelen
zonder acht te slaan op doel of resultaat van de handeling.
Volgens Kant is er spraken van goede wil, wanneer de
wil zich bij het handelen laat leiden door de categorische imperatief.
Door middel van de categorische imperatief geeft kant aan dat zijns inziens
het begrip 'goed' ook een absolute betekenis heeft.
Telkens wanneer de wil tot handelen wordt gemotiveerd door een bepaald doel
(door een materieel praktisch beginsel), wordt hij bewogen door iets dat tot
de categorie 'geluk' behoort: hypothetisch imperatief.
De categorische imperatief is een formele imperatief.
De categorische imperatief luidt: handel alleen volgens die maxime waarvan
je tegelijkertijd kunt willen dat ze een algemene wet wordtDrie nader verhelderende
formuleringen van de categorische imperatief:
Al deze formuleringen zijn equivalent.
Vier voorbeelden
Volmaakte plichten: geen uitzondering mogelijk.
Onvolmaakte plichten: een zekere speelruimte is mogelijk
|
|
volmaakte plichten |
onvolmaakte plichten |
|
plichten t.o.v. zichzelf |
verbod op zelfmoord |
verbod op het niet ontwikkelen van eigen talenten |
|
plichten t.o.v. anderen |
verbod om te liegen |
verbod op onverschilligheid tegenover de nood van een ander |
Een deugdzaam mens is volgens Kant iemand die zichzelf
als levend weze respecteert, zijn talenten ontwikkelt en het welzijn van anderen
nastreeft.
Deze drie verplichtingen zijn niet rechtens afdwingbaar. De volmaakte plicht
jegens anderen is dat wel.
Wie een belofte doet, neemt een zelfverplichting op zich. Wie bewust een valse
belofte doet, neemt tegelijkertijd een verplichting op èn ontslaat zich
van die verplichting. Dit is een contradictie en kan dus niet tot natuurwet
worden verheven.
Moreel aanvaardbare samenleving: een samenleving die op politieke wijze gestalte
geeft aan de morele gelijkheid van mensen als doel-op-zich door het gezag in
die samenleving te laten berusten op vrije instemming, op een contract.. De
liberale leer van het maatschappelijk verdrag, contracttheorie. De staat moet
geacht worden tot stand te zijn gekomen op basis van een maatschappelijk verdrag
tussen alle burgers.
De autonomie van de wil
Autonomie als mogelijkheidsvoorwaarde van de categorische imperatief.
De autonomie is de voorwaarde dat een handeling op grond van een wilsbepaling
door de categorische imperatief mogelijk is.
Heteronomie en hypothetische imperatief.
Heteronome ethiek: de wetten komen van buiten de mens zelf. Voor Kant
is telkens van heteronomie sprake wanneer de bepalingsgrond van de wil iets
anders is dan de wil zelf (een materieel doel).
Er is sprake van een empirische praktische rede wanneer de wil tot het formuleren
van zijn handelingsbeginselen wordt gebracht vanwege het doel dat met de handeling
bereikt moet worden. De wil is dan heteronoom.
Autonomie en categorische imperatief.
Als de wil zijn wetten opstelt vanuit een algemene vorm, ontleent de wil die
wetmatigheden enkel aan zichzelf en is de wil autonoom. De zuivere praktische
rede.
Volgens Kant staat de mens niet onder de noodzaak van een streven naar geluk, maar weet hij zich ook geplaatst door een wezenlijk andere noodzaak, die van de categorische imperatief.
De autonomie van de wil betekent dat de vrijheid van de mens om in negatieve zin afstand te nemen van de materiële bepalingsgronden van de wil (van het geluk) en om zich in positieve zin te laten leiden door de categorische imperatief.
De Vrijheid
Mogelijke tegenwerping: vrijheid is strijdig met causaliteit.
het causaliteitsbeginsel zegt uitsluitend iets over de werkelijkheid zoals die
zich aan ons voordoet. De werkelijkheid voor ons (Erscheinung) en de
werkelijkheid op zich (Das Ding an sich).
Op grond van een analyse van het menselijke kennen is niet bij voorbaat uit
te sluiten dat aan gene zijde van de werkelijkheid zoals ze aan ons verschijnt,
de vrijheid bestaat. Op kentheoretische gronden moeten we het antwoord op de
vraag naar de vrijheid schuldig blijven. Voor de theoretische filosofie maakt
deze agnostische houding ten aanzien van de wil niks uit.
Wanneer de mens niet vrij zou zijn om zijn wil te bepalen op grond van een formeel
criterium en dus enkel geleid zou worden door materiële handelingsbeginselen,
dan zou de wil enkel willekeurige, hypothetische imperatieven kennen, maar niet
de morele wet. Dan zou het onvoorwaardelijk goede niet bestaat.
Het 'Faktum der Vernunft'
Mogen we het zedelijke goede wel als gegeven aanvaarden?
Het Faktum der Vernunft behelst het onloochenbare, immer aanwezige bewustzijn
van de morele wet. De mens is een wezen dat de morele wet in zich draagt.
mensen worden niet alleen gemotiveerd door streven naar geluk, maar ook door
de categorische imperatief.
Circulariteit: Kant gaat uit van de morele zelfervaring.
Om de geldigheid van de categorische imperatief aan te tonen, moet hij enerzijds
een beroep doen op de vrijheid. Vrijheid en morele wet verwijzen naar elkaar
en vormen elkaar vooronderstelling.
Kant benadrukt dat de mogelijkheid van de categorische
imperatief niet volledig inzichtelijk te maken is. Uiteindelijk is Kants ethiek
een poging om het niet achterhaalbare feit te doordenken dat de mens een wezen
is dat een morele wet in zich draagt.
Het hoogste goede
Kants ethiek is niet anti-eudemonistisch. Het is namelijk ieders morele plicht
het geluk van anderen te bevorderen. De ethiek is de wetenschap die ons leert
het geluk waardig te worden.
Het hoogste goede houdt in: de overeenstemming van het geluk met de moraliteit.
Het geluk blijft ondergeschikt aan de moraliteit. Er is voor de mens geen hoger
handelingsbeginsel dan de categorische imperatief.
Tussen deugd en geluk kan geen causaal verband worden verondersteld. Het hoogste
goede is een voorwerp van hoop.
Twee postulaten van de praktische rede:
De categorische rechtsimperatief
De handelingsvrijheid van een persoon komt op een gegeven moment in conflict met iemand anders zijn handelingsvrijheid.
De categorische rechtsimperatief: handel zodanig dat het gebruik van jouw handelingsvrijheid met de handelingsvrijheid van een ieder te zamen kan bestaan volgens een algemene wet. men levert vrijwillig een deel van zijn handelingsvrijheid in.
het uitgangspunt van een moreel gerechtvaardigde samenleving is de vrijheid.
Vrijheid in Kants rechtsleer: de onafhankelijkheid van de dwingende willekeur
van een ander.
Uit het oorspronkelijke mensenrecht van de vrijheid volgt een fundamentele gelijkheid.
Normatieve definitie van recht: is het geheel van voorwaarden waaronder de
handelingsvrijheid van de een met de handelingsvrijheid van de ander te zamen
kan bestaan volgens een algemene wet van de vrijheid. De natuurrechttraditie:
het positieve recht dient te voldoen aan een aantal morele criteria.
Het recht heeft alleen betrekking op het uiterlijk gedrag van personen.
De republikeinse rechtsorde. De wetten worden zodanig gemaakt dat zij uit
de verenigde wil van het gehele volk zouden kunnen voortkomen. De wetten zijn
voor allen gelijk.
De democartische rechtsstaat: erkenning van de mensenrechten en een scheiding
van wetgevenede, uitvoerende en rechtsprekende macht.
Het rechtsbeginsel van vrijheid en gelijkheid moet ook op het internationale
vlak worden toegepast. Er moet een soort volkenbond worden opgericht die op
de naleving van het beginsel van vrijheid moet toezien.
Het nationale en het internationale recht dient aangevuld te worden met een
algemene bepaling die het verkeer tussen staten en individuen regelt. Kant
is ook tegen kolonialisme.
Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland
correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom
Peter Prevos (2000)