John Stuart Mill

Utilisme, teleologische ethiek. Het type ethiek dat handelingen beoordeelt vanuit het doel ervan. Teleologische theorieën zijn consequentionalistisch, doordat ze geïnteresseerd zijn in de gevolgen van handelingen.
Mills utilisme beoordeelt handelingen meer in het bijzonder naar het 'nut' ervan.
Utilisme is eudemonistisch.

Een historische en systematische situering van de ethiek van Mill

Geboren 1806, overleden 1873.
Nooit op school geweest, opgeleid door zijn vader James Mill de filosoof.
Van grote invloed was Harriet Taylor die hij in 1831 ontmoette.
Mills filosofie is vooral tot ontwikkeling gekomen als een reactie op de filosofie van Jeremy Bentham (1748-1832).

Bentham was de spil van een politiek-maatschappelijke beweging, de 'Filosofische Radicalen'.
Benthams kritiek op de gangbare rechtspraktijk betrof vooral de onvoorspelbaarheid van uitspraken van rechters. Hij beijvert zich voor een rationalisering van het recht.

Onder het beginsel van utiliteit wordt dat beginsel verstaan dat willekeurig welke daad goed- of afkeurt, naar gelang zij de tendens lijkt te hebben om het geluk te vergroten of te verkleinen van degenen wier belang erbij in het spel is.

Bij Bentham kan individuele vrijheid ondergeschikt worden gemaakt aan maatschappelijk nut. Geluk wordt door Bentham gelijkgesteld aan plezier en tegengesteld aan pijn.
Een simpele rekensom, de 'hedonistische calcalus', beslist over de vraag welke daad geboden is. Mensen zijn echter van nature egoïstisch, daarom moet een systeem van beloningen en straffen - politieke sanctie - hen op het juiste pad brengen.

Mills herziening van Benthams filosofie. Bij bentham blijft het gevoelsleven onaangesproken.
Hij beschouwde Harriet Taylor als een genie en zij was de inspirator van veel van zijn ideeën.

De teleologische ethiek definieert het juiste als datgene wat het goede bevordert. De tweedeling die deze theorieën maken tussen het goede en het juiste wordt afgewezen door de deontologische theorieën.
Binnen teleologische theorieën zijn veel verschillen. Perfectionistische variant (menselijke voortreffelijkheid): Aristoteles en Nietzsche. Liberale variant (bevrediging van verlangens): Bentham en James Mill.

Mills ethiek lijkt een overstap te maken van een niet perfectionistische naar een perfectionistische teleologie, zijn denken vertoont verwantschap met dat van Aristoteles.
Mills leer is niet zo zeer een persoonlijke moraal als wel een sociale moraal met politieke consequenties.
Een sociale moraal geeft de regels aan waaraan mensen zich in hun onderlinge verkeer moeten houden en waartoe ze elkaar desnoods mogen dwingen.
Bij Kant treft men zowel een persoonlijke als een sociale moraal aan.

Hoofdwerken van John Stewart Mill: Utilitarianism en On Liberty.

Grondlijnen van Mills ethiek: utilisme

Vijf hoofdstukken in Utilitarianism:

  1. Grondbeginsel van de ethiek is het beginsel van utiliteit of het grootste geluk.
  2. Nadere omschrijving van utilisme en weerlegging van de gangbare objecties ertegen.
  3. Hoe komen mensen ertoe om de utilistische grondregel in acht te nemen?
  4. Het bewijs voor het beginsel van utiliteit.
  5. Utilistische rechtvaardigingstheorie.


Geluk is het enige doel van het menselijke handelen. Mill streeft geen theoretisch onderscheid tussen soorten plezier na. In Utilitarianism worden verschillende vormen van plezier opgevoerd: muziek, gezondheid, geld, macht, deugd en roem. Ze verschillen in kwantitatieve zin.
Het verschil tussen geestelijke en lichamelijke genoegens is niet genoegzaam te verklaren met behulp van kwantitatieve maatstaven.

Bij het bepalen van genoegens moeten ook kwaliteiten in aanmerking genomen worden: genoegens kunnen kwalitatief met elkaar worden vergeleken, waarbij het mogelijk is dat een kwantitatief kleiner genoegen verkozen wordt boven een kwantitatief groter genoegen omdat het er kwalitatief boven verheven is.
Mill was niet tevreden met Benthams uitspraak dat wanneer de hoeveelheden plezier gelijk zijn, is kinderspel even goed als poëzie

Volgens Bentham is het alleen door kwantificering mogelijk om aan de willekeur van kwalificaties te ontkomen. Door niet alleen een kwantitatieve maar ook een kwalitatieve vergelijking tussen genoegens toe te laten heft Mill de hedonistische calcalus op.

Bij Bentham en bij Mill is plezier het einddoel waarop alle handelingen gericht zijn.
Bij Bentham zijn handeling en effect los van elkaar te definiëren; er bestaat een externe relatie. Bij Mill is plezier inherent aan de handeling; er bestaat een interne relatie.

Volgens Mill is de hedonistische calcalus niet gebaseerd op onafhankelijke maatstaven. Bentham heeft geen oog voor perspectiefwisselingen, de historiciteit van het plezier.

Iets is niet plezieriger dan iets anders wanneer het meer strookt met de wensen van de actor in kwestie, maar met die van iemand met levenservaring, die daarom de wensen van anderen kan en moet beoordelen.
De persoon met levenservaring onderscheidt drie soorten plezier:
a. dierlijke genoegens
b. geestelijke genoegens
c. morele genoegens (sociale gevoelens van de mensheid, de deugd)

"Het is beter om een ontevreden menselijk wezen te zijn dan een tevreden zwijn beter om een ontevreden Socrates te zijn dan een tevreden dwaas."

Mensen voelen van nature mee met andermans geluk en ongeluk Dit natuurlijke gevoel vorm de uiteindelijke sanctie van het beginsel van utiliteit. De politieke sanctie is bij Mill minder belangrijk dan bij Bentham.

In de perfecte wereld bestaat een volmaakte harmonie tussen individueel belang en algemeen belang.

Niemand is gelukkiger dan de martelaar op het moment dat hij zijn leven offert aan het groepsbelang. Jezus is de volgens Mill de volmaakte incarnatie van de utilistische moraliteit.

Historiciteit van ervaringen en plezier: een kind houdt van Mens-Erger-Je-Niet, na een tijd stapt het over op schaken en vindt het oude spel niet meer interessant.
De gang van zaken van lagere naar hogere vormen van plezier is voor iedereen aan te raden.

Mills maatschappelijk ordeningsbeginsel: de grootste hoeveelheid geluk in het algemeen. Het maximaliseren van de totale som van geluk kan rechtens en politiek worden afgedwongen; morele tirannie. De meeste mensen worden echter zelden toe geroepen publieke utiliteit in acht te nemen; meestal is het voldoende wanneer men voor zijn eigen geluk zorgt. Conclusie

: Mills Utilitarianism vertoont moralistische, paternalistische, antiliberale en antidemocratische trekken. In On Liberty houdt Mill echter een pleidooi voor vrijheid en liberalisme en tegen paternalisme.


Grondlijnen van Mills ethiek: liberalisme

Mill wil de vraag beantwoorden in hoeverre staat en samenleving dwang moeten uitoefenen op het individu. In een democratie kan dwang worden uitgeoefend op het individu doordat meerderheden minderheden in hun vrijheden aantasten. Opdat de vrijheid beschermd wordt moeten volgens Mill formele en informele dwangmaatregelen aan grenzen worden gebonden, onafhankelijk van de toevallige mening van de meerderheid. Mill beijvert zich voor een beginsel dat aangeeft binnen welke grenzen mensen zich met elkaar mogen bemoeien.

On Liberty is verdeeld in vijf hoofdstukken:

  1. Geeft aan waarom het noodzakelijk is om een vrijheidsbeginsel te formuleren.
  2. Welke redenen zijn er om vrijheid te garanderen en welke voordelen komen daaruit voort.
  3. Gedachten over het ideale mens-zijn, dat gestalte kan krijgen door iedereen zoveel mogelijk vrij te laten.
  4. Hoe moeten individu en samenleving worden afgegrensd? \
  5. Toepassing van zijn vrijheidstheorie op een aantal detailkwesties.


Vrijheid
Twee definities van vrijheid.

  1. Vrijheid bestaat erin te doen wat men wil
  2. De enige vrijheid die deze naam verdient, is die om ons eigen goed op onze eigen manier na te streven, zo lang wij niet trachten anderen hun goed te ontnemen, of hun pogingen om het te bereiken in de weg staan.


Vrijheid gedefinieerd vanuit het begrip belemmering.
Verschillende typen belemmering: storende aanwezigheid van iets (positief), storende afwezigheid van iets (negatief). Deze belemmeringen kunnen extern of intern (bijv. ziekte) zijn.

Mill concentreert zich op burgerlijke of maatschappelijke vrijheid: "de aard van de begrenzingen van de macht die de samenleving rechtens kan uitoefenen op het individu".

Kritiek op Mill: houden mensen wel enige vrijheidsruimte over wanneer ze anderen kunnen schaden door hun nalatigheid?

Tweede perspectief, vrijheid als willen.
Het is volgens Mill mogelijk dat iemand niet echt vrij is, ondanks dat hij kan doen en laten wat hij wil (actuele vrijheid). Iemand kan in zijn eigen vrijheid worden belemmerd door zijn eigen wensen. Wanneer mensen door hun actuele, maar lager op hun waardenschaal staande wensen kunnen worden belemmerd in hun vrijheid om potentiële hogere wensen te bevredigen, dan wordt het in beginsel mogelijk om mensen in hun eigen bestwil in hun actuele vrijheid aan te tasten. Paternalisme?

Schadebeginsel
Breed begrip: de vervulling van iemands wensen dwarsbomen
Smal begrip: iemands legitieme wensen dwarsbomen

Rechten: juridisch of sociaal gesanctioneerde belangen.
Twee typen rechten:
Vitale regels (als gij zult niet doden) zonder welke een samenleving niet mogelijk is. Maatschappelijk invariante rechten. Wie deze rechten geniet moet als tegenprestatie de anderen ook dat recht gunnen.
Variërende belangen en rechten, regels die per samenleving kunnen verschillen. Onderworpen aan de utilistische test.

Iemands verantwoordelijk stellen voor het kwaad dat hij anderen aandoet is de regel; hem verantwoordelijk stellen omdat hij kwaad niet voorkomt is de uitzondering. De uitzonderingen worden bepaald door de utilistische test.

Het kan voorkomen dat men vitale regels moet schaden om bijvoorbeeld iemands leven te redden. De vraag hoe de 'kosten' die iemand moet maken om schade te voorkomen, moet worden afgewogen tegen de voordelen die daaruit voor anderen voortvloeien.

Mensbeeld
Keuzevrijheid is niet alleen nuttig, het is ook goed. De mens brengt zichzelf voort: vrijheidsuitoefening is ieders levensopgave.

Kritiek: principieel non-conformisme is een vorm van conformisme.

Mill vergelijkt de mens met een boom die alzijdig tot groei en ontwikkeling moet kunnen komen, overeenkomstig de innerlijke krachten die hem tot een levend wezen maken. Vergelijk het goede leven van Aristoteles.

Mills mensbeeld is niet puur voluntaristisch, maar vertoon cognitivistische trekken.
Voluntaristisch: de mens is geen volstrekt ongedetermineerd materiaal dat hij naar willekeur kan modelleren.
Cognitivistisch: de mens moet leren kennen wat zijn mogelijkheden zijn.

Sociale vrijheid en keuzevrijheid scheppen de ruimte waarbinnen zichtbaar wordt welke mogelijkheden er zijn.

Paternalisme
Mill wijst paternalisme af. Maar Mills liberalisme lijkt soms paternalistische trekken te vertonen.
Zacht paternalisme: vrije beslissingen worden onverlet gelaten.
Hard paternalisme: in iemands belang ingrijpen ook wanneer die persoon de nadelige gevolgen voor lief neemt

Probleem van de vrijwillige slavernij. Mill: Vrijheid bestaat niet in de toelating om van zijn vrijheid afstand te doen. Vrijheid mag in beperkte zin worden opgegeven (bijv. klooster) maar moet kunnen worden teruggenomen. Mill keurt contracten af die de eigen totale onherroepelijke vrijheidsbeperking vastleggen. Mill is tegen het onverbrekelijke huwelijkscontract.

Mills liberalisme is niet onverenigbaar met zacht paternalisme.


De verhouding tussen liberalisme en utilisme

Mills liberalisme is niet verenigbaar met Benthams utilisme.

Is Mills liberale utilisme een herkenbare vorm van utilisme? Mill zelf denkt natuurlijk van wel.

Klassiek utilisme kent alleen wensgerichte voorkeuren. Versus ideaalgerichte voorkeuren, kwalitatief geordende voorkeuren. Wensgerichte voorkeuren: geen kwalitatieve onderscheiding. De hogere versus de lagere genoegens.

Mills onderscheid tussen hogere en lagere genoegens maakt hem ontrouw aan de utilistische leer, zelfs in die mate dat zijn theorie niet meer utilistisch genoemd kan worden.

Door de historiciteit van de genoegens onttrekt hij zich aan de utilistische calcalus.
Voor het klassiek utilisme zijn daden middelen tot het bereiken van een doel: geluk. Voor Mill ligt het geluk in de voltrekking van de daden besloten.

In On Liberty is de band tussen vrijheid en geluk veel nauwer dan in Utilitarianism en a fortiori dan in Benthams utilisme.
Vrijheid en geluk zijn bij Mill identiek geworden.


Hedendaagse discussie over Mills filosofie

Tot in de jaren zestig van de twintigste eeuw was het utilisme de toonaangevende vorm van ethiek in het Engelse taalgebied.
Daarna kritiek vanuit het maximalisme (het grootste geluk nastreven) en het universalisme (streven naar het geluk van allen).

De communitaristen: tegenover de utilistische combinatie van individualisme en universalisme tot erkenning willen komen van de traditionele waarde van bijzondere gemeenschappen waaraan mensen hun identiteit ontlenen.

Kan een aggregatief beginsel (waar slechts de som aller genietingen relevant is) recht doen aan distributieve rechtvaardigheid (waarin de verdeling over de in aanmerking komende personen relevant is)?

Kritiek van John Rawls op Mill: hij verdisconteerd het verschil tussen personen niet in zijn visie op een gelukkige samenleving. Sommigen worden louter behandeld als middelen ten dienste van anderen (Kant).

John Harris (1980): 'survival lottery', moeten de organen van één gezonde persoon worden verwijderd om de levens van twee zieken te redden? Puur utilisme leidt aldus tot vreemde conclusies. Niemand mag als middel worden gebruikt.

Bernard Williams (1973): moet één persoon worden gedood om twintig anderen te redden?

Twee perspectieven:
Vanuit de dader: de utilist is een regisseur van het totale geluk. Mensen hebben niet het recht om anderen louter als middelen te behandelen.
Vanuit de slachtoffers: de gezonde persoon geeft vrijwillig zijn organen af.

Mensen hebben niet de plicht om zichzelf op te geven voor het grootste totale geluk.

On Liberty heeft een belangrijke plaats binnen het politieke liberalisme: "Binnen de door de rechtvaardigheid getrokken grenzen mag iedereen doen wat hij wil, desnoods een door anderen immoreel geacht leven leiden." Mills versie: "Iedereen mag doen wat hij wil, zolang hij anderen niet schaadt


| Index | Filosofie | Ethiek | vorige | volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

Peter Prevos (2000)