OM DE EER. EEN WIJSGERIGE HERMENEUSE VAN EER ALS MOREEL FENOMEEN

Voorlopige verkenning van het fenomeen eer

Ontdekking van eer als moreel fenomeen

Een fenomeen als eer is niet te bestuderen buiten de context van de cultuur en tradities. De analyse van eer veronderstelt dat eer een zekere betekenis binnen onze samenleving vervult en wat haar samenhang is met een goed, rechtvaardig of zinvol leven. Eer is iets waar wij dagelijks mee te maken hebben in onze participatie in de maatschappij. Om het begrip eer te kunnen onderzoeken moet er een zekere mate van afstand gecreëerd worden. Deze afstand wordt gecreëerd door de literatuur, die de gewone taal spreekt en delen van het leven ontsluit die aan ons voorbijgaan. Door de blik op het menselijk leven staat zij dichter bij het leven dan wetenschap en filosofie. Van beslissende betekenis is de wereldliteratuur, die de aandacht richt op de interpretatie- en betekeniskaders van waaruit geleefd en gedacht wordt. Via de gewone taal kunnen wij de term eer in vele spreekwoorden zien opdoemen: op zijn erewoord, de laatste eer bewijzen of ere wie ere toekomt. Eer duidt op een complex van onderling verbonden en verwante fenomenen: eerzucht en ambitie, trots en schaamte, waardigheid, goede naam, aanzien, prestige, roem. De eer wordt vanuit een bepaald gezichtspunt benaderd, wat niet geheel vrijblijvend is.

Eer als centraal element in de klassieke cultuur: Homerus, Sophocles, Plato

Besproken worden de Ilias van Homerus, de Antigone van Sophocles en het Symposium van Plato.

Homerus was de dichter voor het oude Griekenland. In zijn Ilias beschrijft hij een ruzie tussen Agamemnon en Achilles. Inzet van de ruzie is Chryseïs, de dochter van een priester van Apollo die door Agamemnon geroofd was. Om de wraak van Apollo te voorkomen, moet Agamemnon Chryseïs teruggeven aan haar vader, maar neemt daarvoor in de plaats Briseïs, die aan Achilles is toegewezen. De oude Nestor probeert in het conflict te bemiddelen. Agamemnon beroept zich op de eer dat hij hoger in de sociale hiërarchie staat. Achilles bestrijdt dit, want of hij nu een lafaard is of een held, de dood komt voor allebei ongenood. Agamemnon vermoedde echter dat Achilles uit was op macht.

Sophocles (496-406 voor Chr.) was een van de voornaamste tragediedichters, die thuishoorde rond de godheid Dionysos. In de Antigone beschrijft een koorlied de wankele doch ontzaglijke positie van de mens in de kosmos. In de strijd om Thebe hebben de zonen van Oedipus en broers van Antigone, Eteocles en Polyneices, elkaar gedood. Creon, de opvolger van Eteocles, verbood dat het lichaam van Polyneices begraven zou worden, zijn lijk moet onteerd worden door de aasetende dieren. Creon stelt hier staatszaken boven familiezaken, want Antigone is de verloofde van zijn zoon. Toch overtreedt Antigone het gebod van Creon, zij beroept zich op het gezag van de goden. Omdat zij haar broer de laatste eer wilde betonen, veroordeeld Creon haar tot een gruwelijke straf: hij laat haar levend begraven, maar wel met genoeg voedsel zodat hem geen blaam kan treffen. Als de ziener Teresias aan Creon mededeelt dat zijn minachting voor de goden van de onderwereld hem fataal zal worden, besluit hij het vonnis te herroepen. Maar het is te laat.

In Platos Symposium spreekt Socrates met Diotima. Diotima is ervan overtuigd dat de eros een demonisch wezen is dat tussen de goden en de mensen verkeert. De eros is het verlangen naar het schone of het goede. Diotima verteld Socrates dat het streven van de mens naar de onsterfelijkheid is. Socrates is sceptisch, waarop Diotima de zucht naar eer aanhaalt als manifestatie van het verlangen naar onsterfelijkheid. Menselijke wezens trachtten hun kwetsbaarheid te boven te komen door te streven naar hogere ontwikkeling, naar wat schoon is en de moeite waard. Hierdoor zal een sterfelijk wezen iets van zichzelf achterlaten wat voortleeft in de aandacht van anderen.

Eer speelde een cruciale rol in de Griekse samenleving. De manier waarop iemand zich in een samenleving manifesteert is verbonden met zijn of haar loyaliteit aan die gemeenschap. Antigone was niet loyaal, zij ging tegen het bevel van Creon in om haar broer te begraven. Het epos of de tragedie verwijzen naar de mensen in een gemeenschap en de problematiek rondom hun positie in die gemeenschap.

Eer in klassiek-teleologische context: een analyse van de grootmoedigheid in de ethiek van Aristoteles

Aristoteles bespreekt in de Ethica Nicomachea de drie gangbare levenswijze en de daarmee verbonden opvattingen van geluk: genot, eer en beschouwelijk inzicht. In twee opzichten is eer een uitwendig goed: achting en aanzien zijn afhankelijk van anderen en eerbetoon bestaat in uiterlijke zaken. Eer komt iemand toe op basis van diens aretè, deugd of voortreffelijk optreden. Een tweetal deugden komt hiervoor in aanmerking: de megalopsychia of grootmoedigheid en de juiste ambitie. Grootmoedigheid houdt in de EN in dat iemand die zichzelf grote dingen waardig acht, deze ook waardig is. Het is een normatief begrip: er is een terechte en juiste aanspraak op eer. Grootmoedigheid wordt niet rechtstreeks als doel nagestreefd. De grootmoedige streeft de eervolle zaken na. De mensen of de massa interesseren hem niet, alleen de mening van hen die zelf goed zijn. De grootmoedige komt zelfgenoegzaam over, dit is echter verbonden met de conceptie dat het doel van het leven bestaat uit het zo goed mogelijk volbrengen van het leven. Het is een ideaal van de toenmalige samenleving.
 

Eer in de moderne cultuur

Eer, waardigheid en erkenning: Berger en Ricoeur

De socioloog Peter Berger stelt dat eer een moreel concept is dat niet van deze tijd is en niet meer werkzaam in onze cultuur. Het is een restant van hiërarchisch gevormde samenlevingen, en heeft nog slechts betekenis in adellijke kringen, het leger of welomschreven beroepsgroepen. Berger omschrijft eer in de moderne samenleving als waardigheid: de klassieke eer was die van een individu in verband gebracht met de erkenning van de eigenwaarde in de gemeenschap. In de moderne tijd is het individu bevrijd uit de overgeleverde rollen en beroept zich op eigen belangen.

De hedendaagse Franse filosoof Ricoeur verbindt eer met gelding en erkenning die voor het bestaan onmisbaar zijn. Mensen neigen vaak naar hebzucht, heerszucht en eerzucht. Ricoeur breidt deze uit naar drie maatschappelijke sferen: de economische orde van het bezit, de culturele orde van de gelding en de politieke orde van de macht. Ricoeur stelt dat verlangen naar, genieten van en verlenen van eer heeft betekenis in de zin van het verlenen van eer aan anderen. Ricoeur stelt dat eer best wel in verband gebracht mag worden met bezit en macht. Eerzucht legt hij uit als het streven naar erkenning en waardering door anderen. Deze eigenwaarde, merkt Ricoeur op, is wel een kwetsbare, ijdelheid, aanmatiging en jaloezie kunnen het gevolg zijn. Volgens Ricoeur is de literatuur een waar beeld in de strijd om erkenning.

In het moderne taalgebruik wordt eer vooral in verband gebracht met eerbied, als eerbiedwaardigheid en in de zin van aanzien. In de eerste zin kan eer worden gezien als erkenning: eerbied als verhouding tot anderen, maar ook als verhouding tot zichzelf (trots, zelfrespect). In de tweede zin is eer verbonden met het tonen van eerbied aan een ander. In de derde zin is eer het aanzien, het prestige, de reputatie, de goede naam, de roem of beroemdheid.


Eer als transcendentie

In 1986 publiceren de Leuvense filosofen Burms en De Dijn het artikel Verlangen naar erkenning en fierheid waarin het verlangen naar en het verkrijgen van eer mede afhankelijk is van iets dat het menselijk bestaan overtreft, zodat eer alleen op indirecte wijze aan iemand toekomt. De grootmoedige eert in zijn handelen de eer die hem toekomt, zodat zijn handelwijze eervol is. Iemand kan overigens om erkenning vragen voor een zaak die hem of haar niet persoonlijk daaraan verbindt. Erkenning is de positieve beantwoording van de betekenispretentie waarmee iemand optreedt. Onverschilligheid kan leiden tot afwijzing of negatieve inschatting. Het kan ook voortkomen uit de ijdelheid van de pretentie. Het gepretendeerde moet van betekenis geacht worden. Aanspraken op betekenis zijn in twee niet onafscheidelijke delen te verdelen: terughoudendheid vragen van anderen of ingaan op wat naar voren gebracht wordt. De erkenning die mensen zoeken is dat zij als persoon serieus genomen worden.


Eer en erkenning in de moderne literatuur: Reve en Dostojewski

Reve: Oud en eenzaam

Reve schetst een menselijke positie die doet denken aan Dostojewski, de vernederden die in hun diepste dal nog prat gaan op hun voorname afkomst. Reve maakt gebruik van de bestaande betekenisfiguur, waardoor de levensgeschiedenis van zijn grootvader wordt ingeschreven in een al bestaande literaire traditie. Keerpunt in het verhaal is als de soldaten de boompjes omkappen tot grote woede van de grootvader. Nu doen wij wat wij willen! Er bestaat geen god.

De laatste zin is ontleend aan Dostojewski: of niet alles geoorloofd is als God niet bestaat. Dostojewski beschrijft hoe op zichzelf teruggeworpen mensen in de problemen komen in de op zichzelf teruggeworpen maatschappij. De hoofdfiguur Raskolnikov brengt een oude vrouw en haar zuster om het leven om te onderzoeken of hij een massamens is of een bijzonder mens (een zwakke of een sterke). Als hij zijn misdaad zonder wroeging kan verdragen, is hij een sterk mens. Maar Raskolnikov wordt door twijfel verscheurd. Hij leert de prostituee Sonja kennen, en herkent in haar een sterke. Omdat hij zichzelf als zwak ziet, biecht hij zijn misdaad aan haar op. Zijn biecht was een consequentie van zijn gedrag: zwakken moeten de heersende orde accepteren. Wat Raskolnikov niet beseft, is dat de menselijke eer juist voortkomt uit zwakte, namelijk aangedaan en bewogen worden.


Eer en cultuur bij wijze van conclusie

De eer is samen te vatten in een vorm van eerste eer en laatste eer. De eerste eer is de eer die iemand geboden wordt om hem of haar een mogelijkheid te bieden op een zinvol leven. Het betreft de eer van de ouder t.o.v. het kind, van de reeds ingezetene tegenover de nieuwkomer. De nieuwkomer moet de cultuur accepteren en omarmen. Aanspraken hierop worden uitgedrukt in de mensenrechten. De cultuur of gemeenschap moet de mogelijkheid kennen om de vreemde toe te laten.

De laatste eer is datgene doen wat iemand niet meer zelf kan doen. De betekenis van het leven houdt niet op bij het eigen leven. De eerbied voor de doden, het postuum toekennen van eer en mogelijkheden tot rehabilitatie geven aan dat mensen de betekenis van hun leven niet in de eerste plaats in eigen hand hebben.


| Index | Filosofie | Ethiek | vorige | volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

Wilmar Taal (2001)