MENSENRECHTEN TUSSEN UNIVERSALITEIT EN CONTEXTUALISERING

De mensenrechtendoctrine is in de afgelopen veertig jaar uitgegroeid tot een normatief argumentatiekader in de internationale politiek. Ondanks haar succes is de doctrine onderwerp van discussie geweest. Volken uit een niet-westerse traditie zien zich tweemaal voor een vreemde autoriteit geplaatst: een ethische traditie die uit westerse bronnen put en anderzijds de dominante positie van de westerse mogendheden in de wereldpolitiek. De mensenrechtendoctrine kan zich dus niet op universele pretenties beroepen, maar dankt haar succes waarschijnlijk aan de economische suprematie van de westerse mogendheden. Deze contextuele interpretaties roepen vragen op over de status van de doctrine als een normatief argumentatiekader.


De historische ontwikkeling van de mensenrechtendoctrine

Historische bronnen van mensenrechten

De mensenrechtendoctrine is terug te voeren op het zogenaamde natuurrecht dat mensen hadden sedert de Stoa, de joods-christelijke traditie en het Romeins Recht. De wetten die door de vorst werden uitgevaardigd moesten hun legitimatie ontlenen aan een hogere, meer fundamentele rechtsorde dan die van de staat zelf. In de 17de en 18de eeuw werd dit uitgewerkt in revolutionaire ideeën, waarin de legitimatie van de vorst vanuit het volk gedacht werd. De filosofische onderbouwing daarvoor is terug te vinden in het sociaal contract, het contract dat iedereen met de staat aangaat om te zorgen dat men niet in de natuurtoestand terecht komt. Niet iedereen doet evenveel binnen een samenleving, en niet iedereen wil zijn sociale producten verdelen. De ongelijkheid die hierdoor ontstaat is een bron van conflicten. Een regulerende overheid is noodzakelijk, evenals het respecteren van vrije en gelijke burgers. Een legitieme maatschappelijke orde moet gebaseerd zijn op gelijke vrijheid van allen. De mensenrechtendoctrine grijpt ook terug op de Amerikaanse Declaration of Independence (1776) en de Franse Déclaration de droits de lhomme et du citoyen (1789), die weer door de VN werden aangegrepen voor hun Universal Declaration of Human Rights uit 1948.

De mensenrechtendoctrine als normatief argumentatiekader is geen gegeven dat iedere overheid zich er aan houdt. Het is wel een maatstaf voor de internationale betrekkingen. In juridisch opzicht is sprake van een normatief argumentatiekader als de mensenrechten deel gaan uitmaken van het positieve recht van een staat. Indien deze rechten constitutioneel zijn vastgelegd, kunnen de burgers deze ook afdwingen. Helaas is dit niet het geval, zodat overheden enkel door verdragspartners tot de verantwoording geroepen kunnen worden. In ethisch perspectief kunnen mensen een morele aanspraak maken op deze rechten, door rechtvaardiging van de morele principes waarop zijn zijn gebaseerd. De mensenrechtendoctrine is een raamwerk waarbinnen deze principes kunnen worden uitgewerkt. Zij bevat een aantal criteria waaraan staten in hun optreden getoetst kunnen worden.


Ontwikkeling van de mensenrechtendoctrine sedert 1948

De doctrine heeft zich sinds 1948 verder ontwikkeld, zodat men is gaan spreken van verschillende generaties mensenrechten. In de jaren zestig ontstond de tweede generatie, bestaande uit sociale, economische en culturele rechten. De ontwikkeling van de mensenrechtendoctrine stond niet los van de politieke ontwikkeling: in de klassieke mensenrechten spelen de tegenstelling tussen westerse democratieën en oosterse socialistische staten een rol, in de ontwikkelingsrechten de tegenstelling tussen het rijke noorden en het arme zuiden. De mensenrechtendoctrine is voorwerp geworden van diepe politieke en ideologische conflicten. Voor de deelnemers zijn er tegengestelde belangen in het geding.


Het filosofische probleem: contextualiteit en universaliteit

Er worden drie soorten contextuele interpretaties onderscheiden:
Deze conflicten wijzen op spanningen binnen de mensenrechtendoctrine. Er zou een doctrine nodig moeten zijn die niet uitgaat van een bepaalde cultuurhistorisch gesitueerde mens- en maatschappijvisie. Er bestaat grote scepsis tegenover deze contextloze visie. Deze scepsis kan alleen weerlegd worden als men kan laten zien dat de mensenrechten in de internationale politiek niet uitsluitend een retorische betekenis hebben. Dit probleem heeft tot twee vragen geleid: is een gezaghebbende interpretatie van de doctrine mogelijk? De tweede vraag is of de doctrine betekenis heeft als uitdrukking van universele normen en waarden. Het document uit 1948 bevatte echter geen universele rechten maar was een universele verklaring. De VN verklaren het over enkele fundamentele punten in de politieke ethiek eens te zijn.

Vorm en inhoud van de mensenrechten

Vrijheidsrechten

In de klassieke burgerrechten ontbrak het overheidsingrijpen in het economisch leven. Het kenmerkend object van rechten als vrijheden, liberties, zijn handelingen. A heeft recht op x wil zeggen dat A het recht heeft x te doen of x niet te doen. Hierbinnen is sprake van een afwezigheid van een morele relatie met andere personen. Rechten als vrijheden zijn rechten op non-interventie, daardoor negatieve rechten genoemd; rechten die bestaan omdat ze niet worden uitgesloten door plichten jegens de anderen. Het gaat om rechten die wortelen in de natuurlijke vrijheid van de mens, niemand heeft het recht om in de vrije handelingsruimte te interveniëren en daardoor inbreuk te maken op de natuurlijke rechten van de mens. Alleen als iemand een ander leed toebrengt heeft de overheid bevoegdheid om op te treden. Als afzonderlijke individuen hebben mensen natuurlijke rechten, als burgers hebben ze recht op bescherming van deze rechten.

In de liberale filosofie mogen rechtdragers alleen volwassen personen zijn. In de liberale visie zijn zij individuen, wilsbekwame en tot handelen in staat zijnde individuen als bron van morele rechtvaardiging. Om vrije individuen hun vrijheden te garanderen, moeten zij verzekerd zijn van veiligheid, bewegingsvrijheid, vrijheid van meningsuiting, vereniging en vergadering alsmede het kiesrecht.

Sociale en economische rechten

Uit Lockes natuurlijk recht op eigendom blijkt dat de liberale vrijheidsrechten weldegelijk een bemoeienis met economische goederen inhield. De morele relatie is echter verschillend. De liberale vrijheidsrechten beogen geen staatsinmenging in de economische zaken van burgers, terwijl het socialistische begrip een positieve ingreep van de staat om de levensomstandigheden van de burger te verbeteren. De staat heeft in deze een morele plicht om de levensomstandigheden van de burgers te verbeteren. Dit is een positieve taak die verder gaat dan die van de nachtwakersstaat. Het verschil tussen klassieke rechten en economische/sociale rechten is dat de eerste de eigenlijke rechten van de mens zijn, en de tweede door de staat worden gegeven, maar waarop de burger geen beroep kan doen (verschil tussen promotional rights en protectional rights). Vrijheidsrechten worden door de staat beschermd, maar zijn niet door de staat in het leven gebracht. Politie en justitie zijn bedoeld om deze rechten te waarborgen. De rechtsbescherming is een positieve plicht van de staat. In onderscheid met burgerlijke rechten worden sociale en economische rechten ook wel claimrechten genoemd. Hierin is sprake van een drietermsrelatie: A, de rechtsdrager, x de handeling en B de plichthouder. X is datgene wat B aan A moet doen of verschaffen en derhalve worden claimrechten positieve rechten genoemd. De staat heeft wel recht om op te treden bij rechtsschending: als A van zijn vrijheid beroofd wordt, moet de staat daar iets tegen ondernemen en A in vrijheid stellen. In de socialistische visie bestaat de mens niet als autonoom individu, maar ontleent de mens zijn bestaan aan de gemeenschap. De natuurlijke mens lag niet ten grondslag aan de liberale samenleving, volgens Marx, de verhouding was andersom: de kapitalistische samenleving lag ten grondslag aan de filosofie van de natuurlijke mens zoals dat in de contracttheorie gestalte kreeg. De socialistische staat was gebaseerd op de macht van het proletariaat en kon daardoor geen privé-bezit toestaan. Alleen burgers die hun loyaliteit aan de samenleving hadden bewezen, konden aanspraak maken op de rechten die de socialistische staat aan haar burgers toekent.

Groepsrechten

De individualistische inslag van de liberale vrijheidsrechten bracht een kritiek op gang die bekend is geworden als het belang van de groepsrechten. Een bekend voorbeeld is het Amerikaanse quotabeleid dat gericht was op het opheffen van de achterstand die voor sommige leden van etnische groeperingen bestond. Dit was echter in strijd met de constitutionele rechten, die spreken van personen en niet van blanken of zwarten. Het anti-discriminatiebeginsel is diep geworteld in het liberalisme, maar het individualistische aspect contrasteert nogal met het toekennen van rechten aan groepen. Vooral Marx hekelde het liberale individualisme en stelde voor dat gelijke burgerrechten de sociale ongelijkheid niet zouden opheffen. Toekennen van gelijke rechten is onvoldoende om maatschappelijke achterstand op te heffen. Critici menen dan ook dat de relatie van individuen tot de etnische groep waartoe zij behoren, ten onrechte wordt toegeschreven aan een eigen keuze. Sociale en culturele dominantie leiden er toe dat de culturele identiteit van een minderheidsgroepering geïnfiltreerd wordt door elementen uit de dominante cultuur waardoor identiteitsverlies en sociale ontworteling in de hand gewerkt worden.

Kritiek op het liberalisme wordt gevormd door het oordeel dat het liberalisme de illusie geeft van gelijke vrijheid, maar een onderdrukkende ideologie wordt door mensen deze weer te ontnemen. Sommige groepsrechten kunnen gedefinieerd worden als positieve rechten, als bevordering en bescherming door de staat vereist worden; negatieve rechten kunnen ontleend worden aan het recht om in vrijheid te leven met eigen tradities.

De structurele benadering van de mensenrechtendoctrine

Actoren en structuren

De aaneensluiting van niet gebonden staten als India en Egypte leidden ertoe dat de Derde Wereld een invloedrijke macht werd in de wereldpolitiek. De structurele benadering ontwikkelde zich in de internationale discussie door de nadruk te leggen op de werking van sociale structuren in plaats van de nadruk te leggen op het actorperspectief. De Proclamatie van Teheran stelde dat de breder wordende kloof tussen economisch ontwikkelde en onderontwikkelde landen een belemmering vormde voor bescherming en bevordering van mensenrechten. Niet het beleid van politieke kopstukken, maar onderliggende maatschappelijke structuren zijn oorzaak van structurele schendingen van de mensenrechten. De structurele benadering, gesteund door mensen als Th. Van Boven (directeur VN mensenrechtendivisie), stelde dat de schendingen van mensenrechten in Derdewereldlanden niet afgewenteld konden worden op regionale overheden. De Assemblee kondigde in 1977 aan de situatie van mensenrechten te onderzoeken tegen de achtergrond van internationale verhoudingen, rekening houdend met de context van verschillende samenlevingen.

Centrum en periferie

Sociologen en economen uit de Derde Wereld accepteerden de dependentietheorie als verklaringsmodel om uit te leggen waarom de kloof tussen Noord en Zuid alleen maar groter werd. Ondanks de grote stroom ontwikkelingsgelden, kwam dit alleen de rijke landen ten goede: de stroom goederen ging van de periferie naar het centrum, niet omgekeerd. Vanuit deze kritiek werd nu het recht op ontwikkeling geïnterpreteerd: het mensenrechtenbeleid moest ook rekening houden met verschillende ontwikkelingsmodellen. Deze verschuiving veroorzaakte felle kritiek uit de westerse wereld en Japan. Revisie zou de mensenrechten verder ondermijnen, de interpretatie vanuit verschillende tradities, waardensystemen en ontwikkelingsmodellen zou de praktische betekenis van mensenrechten teniet doen. Westerse landen kunnen participeren in de ontwikkeling van Derde Wereld landen, omdat ontwikkeling impliceert dat het land zelf moet ontwikkelen, overeenkomstig hun eigen normen en waarden. Handelde de doctrine eerst vanuit normen en waarden die mensen toegekend werden, nu wordt de doctrine geïnterpreteerd vanuit de normen en waarden die mensen aanhangen. Traditionele notities als mens en mensheid worden verlaten en vervangen door het perspectief van concrete gemeenschappen waarin mensen de wereld beoordelen vanuit hun normen- en waardensysteem. Als het doel is het welbevinden van personen veilig te stellen, dan moet dit niet vanuit een normen- en waardensysteem gebeuren.

Een universele kern van de mensenrechtendoctrine

De theorie van A.J.M. Milne probeert vast te houden aan een universalistische kern van mensenrechten en laat tegelijkertijd ruimte voor de pluraliteit van normen en waarden. In Human rights and human diversity. An essay in the philosophy of human rights uit 1986 gaat Milne uit van moraal als sociale institutie, die de functie heeft om problemen op te vangen die samenleven en samenwerken met zich meebrengt. Om dit te laten lukken zijn eisen nodig, die belichaamd worden door morele principes. Milne spreekt over principles of common morality, universele morele principes en de particular morality, bijzondere morele waarden, die betrekking hebben op de bijzondere mens- en maatschappijvisie waaraan de samenleving haar identiteit ontleend.

Milne maakt nog een onderscheid: tussen morele principes en morele regels. Principes vragen om interpretatie, in iedere samenleving moeten zij anders uitgelegd worden (principe van respect voor leven). Regels zijn vastomlijnd in hun betekenis en specificeren wat in een bepaalde situatie vereist is. The principles of common morality zijn de kern van Milnes visie, Milne verbindt contextualiteit met universaliteit zonder dat de één de ander opheft. Kritiek op Milne was als volgt: zijn theorie laat ruimte voor de tegenwerping dat mensen binnen verschillende gemeenschappen slechts in naam dezelfde rechten hebben. Universele rechten worden zo een formele categorie. Een recht op leven mag dan universeel zijn, doodslag kent iedere samenleving. Zijn er dan redenen waarop doodslag te rechtvaardigen valt? Dit kan inderdaad per samenleving variëren. Universele rechten kunnen in dit geval alleen in naam door alle mensen gedeeld kunnen worden. Milne was niet in staat een gezaghebbende interpretatie van de mensenrechtendoctrine te ontwikkelen, maar heeft het filosofische probleem van een scherpere vraagstelling verduidelijkt. De universaliteit van de mensenrechtendoctrine in termen van formele principes is niet ontwikkeld vanuit een substantiële positieve moraal, en zal dus niet verder helpen.

Publieke rechtvaardiging als historische onderneming

De Amerikaanse rechtsfilosoof G.J. Postema verdedigde de Déclaration de droits de lhomme et du citoyen tegen de aanval van Jeremy Bentham. Bentham stelde dat deze Franse onzin zich liet lenen voor politiek misbruik. Postema stelt echter dat algemeen erkende principes niet noodzakelijk zijn: daartoe ontwikkelt hij het begrip publieke rechtvaardiging. Postema onderscheid zich van de contractfilosofen als Kant en Rawls. Het publieke debat over fundamentele rechten moet worden opgevat als een historische onderneming, in de zin van een historisch gegroeide praktijk waaraan wordt deelgenomen door mensen en groeperingen met uiteenlopende mens- en maatschappijvisies. Deelnemers aan dit debat moeten over de interpretatie van fundamentele rechten hun bijdragen afstemmen op de opvattingen van andere deelnemers om hen te kunnen overtuigen. Men moet zich dan niet beroepen op een universeel principe van redelijkheid, maar op ervaringen van vorige generaties, de oplossingen die zij voor hun conflicten vonden en de toewijding van de leden aan hun gemeenschap.

De mensenrechtendiscussie in de internationale gemeenschap

Postema zoekt het uitgangspunt voor de mensenrechtendoctrine niet in een filosofische theorie over universele moraal, maar in de praktijk van het debat zoals het in de internationale gemeenschap wordt gevoerd. Als men ruimte krijgt de mensenrechtendoctrine te interpreteren in het licht van een eigen mens- en maatschappijvisie, kan men een positieve bijdrage leveren. De leden van de VN nemen deel vanuit hun eigen tradities, maar kunnen standpunten en opvattingen ten overstaan van anderen alleen rechtvaardigen door te verwijzen naar eerder aanvaarde overwegingen en besluiten. Een kanttekening is dat leden van de internationale gemeenschap fungeren als rechtspersonen en niet als natuurlijke personen. Het zijn staten en geen individuen. Een tweede kanttekening is dat als de politieke factor in de discussie dominant wordt, doordat deelnemers elkaar als vijanden zien, de discussie over mensenrechten daar deel van uit maakt. In hoeverre onttrekt de mensenrechtendiscussie zich aan de invloed van machtspolitieke overwegingen? Het antwoord is contingent van aard: of en in welke mate dit het geval is, hangt van de lidstaten van de internationale gemeenschap af, om elkaars bijdragen in de discussie te beoordelen.

Conclusie

De rechten van de mens ontlenen hun morele betekenis niet aan vastomlijnde normen en waarden, maar aan de rol die ze toekennen aan het menselijk subject. Het is een ontwikkeling die voortvloeit uit het karakter dat mensenrechten eigen is.


| Index | Filosofie | Ethiek | vorige | volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

Wilmar Taal (2001)