PROEFDIERETHIEK

Morele en niet-morele aspecten bij proefdiervraagstukken

Het huidige verzet tegen dierproeven bestaat in de Nederlandse Bond tot Bestrijding van Vivisectie (NBBV) en de victoriaans gerichte Anti Vivisectie Stichting (AVS). Deze bewegingen ontstonden in het midden van de 19de eeuw, toen in de geneeskunde het methodisch materialisme opkwam, dat stelde dat mensen en dieren op vergelijkbare wijze functioneren en konden worden begrepen als materieel proces. Dierproeven moesten de veronderstelde chemische en biologische wetmatigheden aantonen. Dit werd gelegitimeerd door het idee van vooruitgang in de medische wetenschap, verzet hiertegen werd als irrationeel beschouwd. Oprichters van actiegroepen tegen dierproeven waren meestal vrouwen: door de Verlichtingstraditie in de 2de helft van de 19de eeuw werden vrouwen gelijkgesteld aan dieren door hun emotionele en natuurlijke aard. Dit blijkt uit het verzet tegen de Wet op bestrijding van Geslachtsziekten (Engeland, 1864), die vrouwen aan onderzoek en zelfs opsluiting onderwierp, terwijl ze de ziekte van een man gekregen moesten hebben. Vier kritiekpunten tegen deze wet zijn terug te vinden in de kritiek op dierproeven:

De kritiek op dierproeven kent twee stromingen: de beweging voor dierenrechten en de beweging voor humane omgang met dieren. De eerste bepleit universele rechten voor het dier, de tweede een humane behandeling en een humane dood bij spaarzaam proefdiergebruik. De NVVB werd in 1890 opgericht om maatschappelijke druk uit te oefenen teneinde tot een wet op dierproeven te komen. In de zedelijkheidswetgeving uit 1886 was vastgesteld dat dierproeven alleen zijn toegestaan als er een redelijk doel mee wordt gediend. In 1909 werden dierproeven die reeds vaststaande feiten aantoonden, verboden door de Regeringscommissie inzake de Vivisectie. Dit leidt echter niet tot een wetswijziging. In 1920 wordt artikel 254 WvSr aangepast: de dierproef moet in redelijke verhouding staan tot het beoogde doel. Na pogingen in 1948-1954, 1969 en 1970 komt het in 1977 tot de Wet op Dierproeven. In 1986 trad zij in werking en in 1992 werd zij aangepast aan EG richtlijnen.

Dierproeven worden niet zonder vergunning uitgevoerd en mogen geen commercieel doel dienen. Ook als er realistische alternatieven bestaan zijn dierproeven verboden. De huidige wet hanteert een ‘nee-tenzij’ constructie, dierproeven zijn verboden mits men aan bepaalde voorwaarden voldoet. Alle dierproeven moeten door de dierexperimentencommissie komen. Een negatief advies is niet bindend, maar wordt bij overtreding gerapporteerd aan de Veterinaire Hoofdinspectie. Dierproeven mogen alleen door artikel-9 onderzoekers worden gedaan: afgestudeerden in de geneeskunde of biologie met speciale proefdierkundige vaardigheden. De huidige wet sluit de embryonale fase uit: genetische manipulatie met eicellen zijn geen dierproeven. Het Akkoord van Helsinki stelde dat mensen niet mogen worden blootgesteld aan stoffen waarvan dierproeven de veiligheid niet hadden aangetoond. Ook de milieuwetgeving en de Hinderwet spelen hierin een belangrijke rol.

In Noord-Europa worden dierproeven om economische redenen vervangen door testen met celculturen. Door hygiënische en klimatologische redenen is dat in Zuid-Europa niet mogelijk waardoor dierproeven een goedkoper alternatief zijn. Ook de natuurwetenschappelijke context is bepalend: niet alleen het reductionisme, maar ook de numerieke problemen met mensen worden door proefdieren makkelijker opgevangen. Argumenten hiertegen zijn dat de resultaten met proefdieren niet te extrapoleren zijn naar mensen.

Maatschappelijk gezien bestaat er meer protest tegen dierproeven t.b.v. de cosmetica-industrie dan onderzoek naar kanker en aids. De betrokkenheid bij dierproeven komt voort uit conflicterende belangen tussen bv. De antivivisectie-beweging en de wetenschap. Levensbeschouwelijke uitgangspunten wijzen op het rentmeesterschap van de mens over het dier waardoor bepaalde dierproeven zijn toegestaan; anderen menen dat de mens te weinig eerbied voor het leven toont.

  1. De morele vragen over dierproeven spelen zich af op drie niveaus:
  2. Macroniveau: de fundamentele vraag of dieren beschermwaardig moeten worden geacht. Dit kan op basis van de amorele of morele status van het dier. Op grond van ethische overwegingen kan men de juridische normering voor proefdiergebruik bekritiseren.
  3. Mesoniveau: reële projecten waarbij de vraag wordt gesteld of het gebruik van proefdieren gesanctioneerd is. Op dit niveau worden onderzoeksvoorstellen getoetst aan juridische, economische en wetenschappelijke criteria en morele aspecten. De zorgvuldigheid van de onderzoeker wordt getoetst aan de hand van de 3 V’s: Vermindering (kiezen voor kleine aantallen proefdieren), Vervanging (actief zoeken naar vervangingsmethoden) en Verfijning (ontwikkeling van methoden die zo min mogelijk leed aan het proefdier toebrengen).
  4. Microniveau: vermenging van emotionele aspecten met ethische vragen m.b.t. proefdiergebruik.

Centraal staat of dieren vallen onder de morele gemeenschap of tot het morele domein. In de deontologische ethiek behoren autonome personen, rationeel denkende wezens, tot de morele gemeenschap, wat dieren uitsluit. Sommigen menen dat bij mensen opgegroeide chimpansees wel tot de morele gemeenschap behoren. Het morele domein omvat alle wezens en zaken die beschermenswaardig zijn. Hierin onderscheidt men de intrinsieke en de instrumentele waarde: in de eerste de waarde van het dier zonder het door de mens gestelde doel, in de tweede het gebruik van proefdieren. Ook de medische ethiek speelt mee: men maakt onderscheid tussen morele actoren (autonome personen), morele patiënten (voldoen niet geheel aan de voorwaarden voor autonome personen) en morele objecten (alle wezens en zaken die verzorging van morele actoren ontvangen). Een andere centrale kwestie is onze verhouding tot proefdieren: hebben we een zorgplicht of is er sprake van rechten v.h. dier?

Gangbare benaderingen in de proefdierethiek

Peter Singer: schreef Animal Liberation en The expanding circle, hanteerde het gelijkheidsbeginsel om tot de volgende stapsgewijze benadering te komen:

Singer concludeert dat speciesisme even discriminerend is als seksisme of racisme. Alhoewel Singer erkent dat er geen rationeel criterium bestaat dat dieren in moreel opzicht van mensen onderscheidt; mensen en dieren kunnen wel lijden. Dieren moeten niet als middel (instrumentele waarde) maar tot doel gemaakt worden (intrinsieke waarde).

Tom Regan: stelt in The case for animal rights dat ondanks het onderscheid tussen morele actoren en morele patiënten niets afdoet aan de mate waarin zij geschaad kunnen worden. Analoog hieraan worden dieren door hem gezien als wezens met een wil, cognitieve vermogens, geheugen, emoties en kunnen doelgericht gedrag vertonen. Morele actoren, morele patiënten en dieren zijn volgens Regan dusdanig gelijk, dat ze dezelfde rechten hebben op vrijwaring van schade. Het doelgericht ziek maken van dieren wordt door Regan als immoreel verworpen.

Een kritische beschouwing van de hedendaagse ontwikkelingen in de proefdierethiek

Critici van Singer en Regan stellen dat het zinvol is dat een drager van het recht het recht ook moet kunnen claimen. Een persoon heeft besef van dit recht en dus ook kennis van morele wetten. Het dierproefdebat gaat niet om rechten maar om waarden, welke binnen een onderzoekscultuur tot andere uitkomsten leidt. In Zweden wordt dit ondervangen door DEC’s te voorzien van gelijke aantallen onderzoekers en dierbeschermers.

Ethici onder invloed van Rawls en Habermas stellen dat elk willekeurig terrein een dynamisch gebeuren is, met steeds nieuwe problemen en inzichten. Elke beslissing wordt getoetst aan contemporaine criteria. Singer beroept zich op de utilistische calculus, de anonieme uitwisseling van leed. Hij past het gelijkheidsbeginsel zo radicaal toe dat iedere vorm van slavernij – mens of dier- verworpen dient te worden. Regan beargumenteert de beschermwaardigheid van het dier vanuit deontologisch kader. Men heeft t.o.v. dieren de directe plicht geen schade te berokkenen. Regan loopt het gevaar in de utilistische calculus terecht te komen: als er een levensreddend medicijn uitgevonden moet worden, moet er toch leed berokkend worden. Regan en Singer brachten de dierproefethiek op academisch niveau, maar komen door hun extreme positie niet in de buurt van de realiteit. Emotionele factoren leiden tot discussie over de morele consequenties van dierproeven, de weerzin tegen dierproeven leidt zo tot ethische reflectie. Morele verontwaardiging komt voor door de relatie die mensen met dieren aangaan. Een relatie tussen proefdier en onderzoeker kunnen de laatste de consequenties van de eerste als levend wezen doen inschatten.


| Index | Filosofie | Ethiek | vorige | volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

Wilmar Taal (2001)