FILMGESCHIEDSCHRIJVING
Onderscheid tussen filmgeschiedenis en filmgeschiedschrijving
Filmgeschiedenis:
1. het geheel aan feiten
die betrekking hebben op het medium film, vanaf het vroegste begin tot heden.
2. een door (film)historisch
bewustzijn gestuurde selectie van en een reflectie op de feiten die betrekking
hebben op het medium film.
De filmgeschiedenis (geheel aan feiten) is een product van de filmgeschiedschrijving (reflectie op feiten), met als actieve kracht daarachter de filmhistoricus.
Veel van de oudste films zijn vergaan:
1895-1918 meer dan 80 %
1919-1929 meer dan 70 %
Filmarchieven bestaan pas vanaf de jaren ‘30 (1e in Stockholm 1933)
Bronnen voor de filmhistoricus:
filmmateriaal
- voor de bedrijfseconoom:
schriftelijke bronnen, zoals boekhoudingen, statistieken, jaarverslagen,
contracten, interne memo’s.
- andere schriftelijke bronnen:
filmbladen, dagbladen, correspondenties, overheidsdocumenten (vb. filmkeuring)
- oral history (interviews
met betrokkenen)
2.2. VIER VORMEN VAN FILMGESCHIEDSCHRIJVING
1. esthetiek
2. economisch
3. technologisch
4. sociologisch
De filmgeschiedenis is te complex om door één filmhistoricus te kunnen omvatten. Filmgeschiedenis krijgt pas zin als de historicus vanuit zijn optiek een aantal feiten selecteert en die op een bepaalde wijze met elkaar in verband brengt.
Kortom: de filmhistoricus moet een vraagstelling creëren.
Boek: Filmhistory: theory and practice (1985) - Robert C. Allen en Douglas Gomery.
ad 1. "zintuiglijk genot geven aan en betekenis te creëren voor toeschouwers"
Esthetisch gezien wordt een film opgebouwd uit een aantal technologische elementen: geluid, belichting, camera-instelling, montage, mise-en-scène. Esthetisch gezien zijn de mensen die deze elementen hanteren even belangrijk: regisseur, scenarioschrijver, geluidstechnicus, cameraman, decorbouwer, acteur, cutter, kostuumontwerper etc.
Esthetische filmgeschiedschrijving kan worden omschreven als een studie van alle krachten die de vorm van een film bepalen.
Vaak wordt deze vorm van filmgeschiedschrijving gezien als de enige echte.
ad 2. "de studie naar de oorsprong en ontwikkeling van de technologie die het maken en vertonen van films mogelijk maakt"
vb. - gehanteerd filmmateriaal
- diverse kleuren- en geluidsprocédés
- projectoren, camera’s en
lampen
- constructie studio’s.
Film is direct afhankelijk van de technologie. Zonder kennis van de technologie zouden veel esthetische ontwikkelingen niet verklaard kunnen worden.
ad 3. "wie verschaft het geld waarmee de films worden gemaakt, hoe en waarom"
Film-industrie: conglomeraat van
financiële belangen, dat meestal geleid wordt door commerciële motieven.
- filmproductie
- filmdistributie
- filmexploitatie Aparte inkomstenbronnen
tegenwoordig:
- tv-rechten
- videodistributie.
ad 4. "
1. wie maakten films en waarom?
2. wie zagen films, hoe
en waarom?
3. wat was er te zien, hoe en
waarom?"
Deze categorie is het moeilijkst af te bakenen.
vb. inhoudsanalyses van films
studies naar geleding van het publiek
receptie van afzonderlijke films
2.3. FILMHISTORISCH BEWUSTZIJN
a. theoretische begrenzingen:
ideeën over
aard medium film
opvattingen over wetenschappelijk
karakter en doel historisch onderzoek op zich
stand van de filmtheorie en
van de wetenschapsbeoefening in een bepaalde periode en omgeving (hierbinnen
is het wel mogelijk dat de filmhistorici verschillende politieke of levensbeschouwlijke
opvattingen hebben).
b. praktische begrenzingen:
Het ontbreekt aan heel oude NL speelfilms, oudste uit 1907.
Tenslotte geografische beperkingen: het archief is gebonden aan een bepaalde omgeving:
3. KLASSIEKE FILMGESCHIEDSCHRIJVING
ca. 1910-1970
De benaming is achteraf gegeven aan een stroming/periode die eigenlijk onbewust bestaan heeft.
Klassiek is goede benaming, want:
1. voorbeeldig in haar soort
2. een visie die verloopt
langs een heldere en strakke lijn.
Klassieke blik
Alle films worden met
elkaar verbonden zodat er een logische lijn onstaat, dit geldt vooral voor de
eerste 30 jaren van de film dat wordt gezien als een voortdurend proces van
verfijning van artistieke uitdrukkingsmogelijkheden. De vroege cinema krijgt
zo het stempel "aandoenlijk en onbeholpen".
vb klassieke blik: the liveliest art (1957) - Arthur Knight
Klassiek filmhistorisch bewustzijn
Tot in de jaren 30 bestond er nog geen traditie op het gebied van filmgeschiedschrijving, geen filmhistorische publikaties om op terug te grijpen. Alles moest nog met elkaar in verband worden gebracht en er waren niet veel bronnen beschikbaar.
Pioniers: Jean Mitry en Georges Sadoul
Basis genomen in groeimodellen van andere kunstvormen
4. REVISIONISTISCHE FILMGESCHIEDSCHRIJVING
vanaf 1970
In tegenstelling tot de klassieke
voorgangers laten de revisionisten zich gemakkelijker bestempelen tot een beweging
met een gemeenschappelijk doel.
Revisionistische blik
Revisionisten gingen terug
naar de beginperiode van de film en brachten daar ontelbare publikaties over
uit, gedetailleerde en specialistische studies.
Meer microgeschiedenis: minder teleologisch, minder lineair.
Met het wegvallen van de klassieke sluier kunnen films beoordeeld worden als producten van hun tijd.
André Gaudreault: leider van onderzoeksproject dat als belangrijk en meest omvattende van de filmgeschiedenis geldt: GRAF - alle films uit periode 1899-1907 om een zo compleet mogelijk beeld te krijgen.
Revisionistisch filmhistorisch bewustzijn
1978 - FIAF - congres over vroege cinema tot 1907. Dit was de 1e mogelijkheid om een grote hoeveelheid films met een groot aantal historici uit de gehele wereld te bekijken.
sinds 1982 - Pordenone - Le giornato del cinema muto
vanaf de jaren ‘60 bestaat er een academische belangstelling voor de film, in het begin meer theoretisch, daarna meer historisch.
De aandacht is nu verschoven van individuele filmmakers en afzonderlijke films, naar films waarin men op zoek gaat naar gemeenschappelijke kenmerken.
Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland
correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom
Evelyn Ligtenberg (1999)