DE HOFCULTUUR VAN HET HUIS VAN ORANJE IN DE 17e EEUW

Olaf Mörke

Frederik Hendrik (1625-1647) en Willem III (1672-1702)

 

Inleiding: methode en probleemstelling

Nederland zou nooit een hofcultuur gekend hebben, aldus de gevestigde antropologen. De Engelse diplomaat William Temple schrijft echter tijdens zijn verblijf in Nederland tussen 1667 en 1679): "The main ingredient [] into the Composition of this state, are the Freedom of the Cities, the Sovereignty of the Provinces, the Agreements of Constitutions of the Union and the Authority of the Princes of Orange [] As the States-General represented the Sovereignty, so did the Prince of Orange the Dignity of the State, by public guards and the attendance of all Military Officers; By the Splendour of his Court, and Magnificence of his Expense"

Het hof was voor de Oranjes het belangrijkste instrument om zich binnen de Republiek te presenteren en bevorderde eveneens de soevereiniteit van de gewestelijke staten.

De waardigheid en eer van de staat kwam volgens Temple voort uit de Authority van de Oranjes en de soevereiniteit van de gewestelijke staten.

Voor de structurele samenhang van de Republiek en van het functioneren van de samenleving waren de Oranjes en het hof van de Oranjes als centrum van de oranjekring onontbeerlijk.

De politieke en sociale elites van de Republiek waren multipolair georganiseerd en in talrijke belangengroeperingen onderverdeeld.

Het hoofse leven en de hoofse praal waren geen doel op zich. Het waren instrumenten van de handhaving van de positie van het Oranjehuis en bovendien voor de versteviging van die positie ten opzichte van de Europese hoogadellijke kringen.

Met de volgende punten dient men rekening te houden:

 

De functie van het hof in de republiek

Het vorstenhof had het karakter van een familie in de pre-moderne betekenis. Bloedverwanten + aangetrouwde familie + hofhouding + beheerders van het bezit. Allemaal verantwoording schuldig aan, en bescherming genietend van, de heer de huizes, de pater familias, en aan de huismoeder. De huisvader werd de vader van het land. Het hele huis een metafoor voor het territoriale machtsgebied van de vorst. De vorst werd met name zo gezien als het bestaan van de Republiek door een buitenlandse macht bedreigd werd. Ook in de burgerlijke huishouding ontstonden de groepsverhoudingen vanuit het vaderprincipe. Hieruit blijkt instrumentalisatie van deze mentaliteit.

De tafelregels van het hof van Oranje uit 1624 (Maurits):

De lagere bedienden aten in de keuken. Elf tafels in het stadhouderlijke kwartier van het Binnenhof in Den Haag. Hoe lager men op de ladder stond des te verder zat men van de prins.

Aan het hoofd van de 1e tafel zat de heer des huizes, de stadhouder. Naast hem de kapitein van de stadhouderlijke garde en niet nader omschreven luijden van qualiteite. Aan de 2e tafel, de Tafel van den Raedt, vond men hoge hofambtenaren, de hofmeester, de stalmeester, de 2 secretarissen en de griffier van Oranje en indien ze zich vrij konden maken, de leden van de domeinraad, de beheerders van de vorstelijke bezittingen. Aan de 3e tafel, de Edelluijden tafel, verzamelde zich edellieden uit het naaste gevold van de stadhouder. Verder zaten hier nog andere garde-officieren, hofdienaars en de lijfarts van de stadhouder.

Uit de tafelschikking komt de belangrijke positie van het leger en de adel naar voren. De leden van de domeinraad vormden de schakel tussen de burgerij en de adel. Ook de buitenlandse adel had een belangrijke rol in de tafelschikking van prins Maurits.

Constantijn Huijgens was lid van de domeinraad en tevens naaste vertrouwensman van de stadhouder en had een web van politieke en sociale contacten.

De wereld van de brugerlijk-aristocratische regenten en die van de adel uit de oranjekringen lagen niet zover uit elkaar als de officiële politiek wel deed geloven. Uit de bijna gelijktijdige benoeming van Rivet en Oudaert tot raadsleden blijkt dat het principe van onderverdeling naar belangengroepering ook tot het hof van Oranje was doorgedrongen.

De dood van Willem II in 1650 à stadhouderloze periode tot 1672

Het hof kon niet als enig machtscentrum van de Nederlandse politiek handelen, het maakte, vooral in deze crisistijd, ook deel uit van het krachtenveld van de Republiek. De macht van de monarch en ook die van de stadhouder berustte voor een groot deel op zijn charisma.

De Internationale verstrengeling van het Oranjehuis was een tweesnijdend mes. Ze versterkte de poging van de anti-oranjegezinde regentenfractie, na de dood van Willem II, het stadhouderschap af te schaffen. Anderzijds konden de Oranjes de magere jaren dankzij deze verstrengelingen doorkomen.

 

De presentatie van het hof in de openbaarheid bij officiële gelegenheden

Mary Stuart bezocht Amsterdam in 1660. Een prachtige ontvangst met 20 praalwagens, waarvan een groot deel gewijd aan de praal van Nassau. Een paar jaar eerder bezocht Amalia van Solms de stad met gevolg. Toen 16 praalwagens die de rol van het huis van Oranje uitbeeldden.

De optocht bestond uit een wagen die de eendracht van de staat voorstelde. Daarna de wagens van de 7 provinciale staten en de laatste wagen van die stoet was van de ontvangende stad. Daarvoor kwamen 7 wagens die het huis van Nassau verheerlijkten.

Ook in de stadhouderloze tijd vonden dergelijke manifestaties plaats. In 1661 onthaalde de stad Utrecht de Jonge Willem op een feestelijke ontvangst. De festiviteiten duurden vijf dagen. Voor de ontvangst van buitenlandse ambassadeurs moesten de Staten-Generaal, zelfs in de stadhouderloze tijd, de praalkoetsen van de Oranjes lenen.

Het Oranjehuis bleef aanwezig in de internationale politiek en daarmee ook in de diplomatieke ceremonieën van de Staten in de Republiek.

De professionele beheerders van de vorstelijke bezittingen vormden de schakel naar het burgerlijke milieu.

De vertrouwelijke familiare relatie met de Europese hoogadel kwam allegorisch tot stand op de praalwagens van 1659 en 1660, en in werkelijkheid tijdens het gastmaal (feestmaal ter ere van Karel II van Engeland) in het Mauritshuis. De Republikeinse burgerlijke kringen maakten echter ook deel uit van die gebeurtenissen als organisator, als gastheer en als deelnemer aan de ceremonieën.

Van 1650 tot 1672 bestond er een functionele relatie tussen het hof en de republikeinse kringen.

In 1647 stierf stadhouder Frederik Hendrik. Een kopergravure toont de groep rouwenden rond het sterfbed van de stadhouder.

Naast de stervende staan zijn vrouw, zijn zoon en opvolger met diens echtgenote en een hofpredikant met wie hij een hechte band had. Ook Jacob Cats bevond zich aan het sterfbed tussen andere familieleden. Deze groep, familie en hof, stond dicht bij elkaar aan één kant van het bed. De vertegenwoordigers van de Staten-Generaal staan op gepaste afstand van het bed.

De begrafenisstoet van het stadhouderlijke kwartier naar de graftombe van Oranje in de Nieuwe Kerk te Delft.

Terwijl de optochten tijdens de ontvangsten in Adam in 1659 en 1660 aangaven hoe de burgerlijke, republikeinse elites het Oranjehuis zagen, bleek uit de begrafenisstoeten hoe de Oranjes over hun sociale omgeving dachten en hoe ze zelf, in republikeinse kringen, gezien wilden worden.

Vooraan marcheerde de stadhouderlijke garde gevolgde door een lange rij bedienden en hovelingen. Als aparte groep volgden dan de professionele beheerders van de bezittingen van de familie.

Vervolgens kwamen de officieren met hun Oranjevaandels- en eretekens. Hierna volgden de paarden met geslachtswapens en banieren van de heersers van Oranje-Nassau, meestal begeleid door de adellijke officieren en ambtsdragers van de bezittingen van Oranje. De overledene presenteerde men als heerser van een hoogadellijk huis. De affuit met de doodskist werd getrokken door acht paarden, bereden door majoors van de cavalerie. Het rouwbaldekijn werd gedragen door 14 luitenant-kolonels. Daarna kwamen rontom het lijck achttien kolonels van het leger, mannen van zeer verschillende nationaliteiten.

Achter de doodskist liep zijn opvolger, geflankeerd door twee Portugese prinsen en andere Europese adel. Pas aan het eind van de stoet verschenen de vertegenwoordigers van de Staten-Generaal, de Staten van Holland, de magistraten van Den Haag en Delft en de predikanten van beide steden. Telkens weer komt de groepsstructuur van de tafelschikking terug. Leger, familie in enge zin van directe bloedverwanten en aangetrouwden, alsmede in ruime zin van verre familieleden van een internationaal adellijk gezelschap, vormden de concentrische cirkels van het hoofse gezelschap. Het burgerlijke element van de hofhouding hoorde erbij, maar als een groep apart. De begrafenis was een staatsplechtigheid waarin autoriteit en soevereiniteit verenigd worden.

Bij de ontvangsten van buitenlandse monarchen en hun diplomaten gebruikten de Staten dikwijls voor presentatie doeleinden de hoofs-adellijke infrastructuur, zoals het Mauritshuis en de praalkoetsen van de Oranjes. De regenten gebruikten, evenals de Oranjes, hoofse pracht en praal als instrument voor de identificatie van de staat.

Tijdens de Haagse en de Amsterdamse kermis van 1686 bleef de afstand tussen de heersers en de tot quasi-onderdanen geworden bevolking gehandhaafd; het hof toonde naar buiten toe de autoriteit van de stadhouder. De afstand tussen het hof en het burgerlijke milieu werd echter gelijktijdig verkleind doordat het stadhouder paar en het hof het hoogtepunt van het volksfeest waren.

 

Bouw- en schilderkunst in dienst van Oranje

Een analyse van hoofse en republikeins-burgerlijke bouw en schilderkunst laat overeenkomsten en verschillen zien tussen beide waarden- en normensystemen. Zo laat het architectuur-programma zien dat er nauwelijks sprake is van een strikte scheiding tussen de hoofse en de burgerlijke wereld.

Paleis Noordeinde en Huis ten Bosch zijn maar twee van de paleizen die onder Frederik Hendrik ontworpen en gebouwd werden.

Karakteristiek voor de paleizen Ten Bosch, Honselaardijk, Rijswijk, Soestdijk en Het Loo is de ruimtelijke afscheiding van het burgerlijke gezichtsveld.

Bij de genoemde paleizen gaat het namelijk om privé-verblijven van de Oranjes. Het stadhouderlijke kwartier aan het Binnenhof en Den Haag was en bleef de officiële, stadhouderlijke residentie.

De strikte scheiding tussen de hoofse en de burgerlijke wereld, gold als een karakteristiek kenmerk van de monarchale heerschappij in de 17e en 18e eeuw, en diende tevens als instrument om het charisma van de heerser te versterken. Deze scheiding, met Versailles als voorbeeld, werd in Nederland niet doorgevoerd.

De natuur onderwierp zich aan de barokke More-geometrico-architectuur van paleis en paleistuin.

Bij het huis Ten Bosch en Het Loo werd alleen de natuur aan de architectuur onderworpen, terwijl de reële politieke heerschappij enkel voorgewend werd.

Het paleis, als omhulsel van het hofgezelschap, werd geen centrum van de republikeinse leefwereld, net zo min als het hof zelf een machtscentrum voor de verdeling van de sociaal-politieke kansen kon worden.

Het Raadhuis van Adam kon als centrum van de republikeinse leefwereld een eigen gezicht krijgen en kon, veel meer dan de Oranjepaleizen, het sociale milieu daarbij betrekken. De publieke rol van het oranjehuis en het hof komt duidelijk naar voren in de functie van het stadhouderlijk kwartier aan het Haagse Binnenhof. Ook tijdens de stadhouderloze tijd werd het kwartier door de familie en de jonge Willem III als woonplaats gebruikt.

Het aankleden van de Oranjezaal in Huis ten Bosch met portretten van Europese monarchen en leden van hoogadellijke huizen moest de band van de Oranjes met deze aangeven. De uiteindelijk tot stand gekomen allegorische schilderijenverzameling geeft een indruk van het toenmalige zelfbeeld.

De grote mate waarmee de socialisatie-ruimte gemilitariseerd werd, was natuurlijk niet alleen het product van een internationaal gangbaar model, maar vooral een reflectie op de politieke situatie van de Republiek aan het begin van de 17e eeuw.

De vrede, gerealiseerd door Oranjes, werd door de sterkte van het leger en de individuele capaciteiten van de commanderende generaal gewaarborgd. Daarin onderscheidde deze voorstelling zich van de vredesafbeeldingen in bijvoorbeeld het Raadhuis van Amsterdam. Daar werd de vrede niet gehandhaafd door de macht van de heerser, maar stond een systeem van voorspoed en internationale handel garant voor de vreedzame stabiliteit.

De rationaliteit van het door de Staten opgedragen stadhouderschap is toch ondergeschikt aan het charisma, en daarmee de individualisering van het schilderij van de stadhouder in de Oranjezaal, dat daarmee tot heersersportret wordt.

Vaak werketen dezelfde architecten en kunstenaars voor zowel de Oranjes als voor de stedelijke overheid. Het ontwerp van Huis ten Bosch is van Pieter Post, die ook het stadhuis van Maastricht ontwierp.

 

Het hoofse feest als uiting van zelfverzekerdheid

In de Oranjezaal in Huis ten Bosch weren de kunst, als onveranderlijk feestelijk portret, en het feest, als steeds hernieuwde bevestiging van de eigen sociale positie aan het hof, samengebracht. Tijdens het feest laat het hofgezelschap zien wat ze eigenlijk wil zijn, wat het misschien gelooft te zijn en wat het in ieder geval wil lijken.

De heren van de Staten mochten zich op een door de Oranjes georganiseerd feest alleen belangrijk voelen wanneer dit feest plaatvond in verband met een officiële staatshandeling.

De plaats waar het feest gehouden werd, gaf het functionele verschil aan tussen een privé-feest van het hoogadellijke Oranjegeslacht in de Oranjezaal van Huis ten Bosch en een officiële gelegenheid van de Oranjes als republikeinse ambtsdragers op het Binnenhof.

Op het Binnenhof moet Willem zich als bediende aan de autoriteit van de Staat onderwerpen. De stadhouder speelde daar, in de symbolische wereld van de Staten, de ondergeschikte rol. Diezelfde rol hadden de Oranjes in hun hoofse wereld aan de Staten toebedeeld.

De idealisering van de heerser, naar voren geschoven op grond van zijn persoonlijke kwaliteiten, werd tijdens het stadhouderschap van Willem III een van de belangrijkste propagandamiddelen.

Willem III - Het hof als politiek-cultureel centrum

De bevolking werd door middel van pamfletten over de feesten geïnformeerd. Het pamflet was het belangrijkste propagandamiddel voor zowel politieke als niet-politieke doelstellingen van Willem.

Communicatie was voor Willem het belangrijkste politieke middel en dat had gevolgen voor de positie van het hof. in de belangrijkste Staatcommissies waren Willems vertrouwelingen ruim vertegenwoordigd, omdat het centrum van het hofgezelschap van Willem na 1688 in Engeland lag.

Het hof als omhulsel en belangrijkste centrum van de Oranjefractie verloor aan betekenis. Het hoofse werd echter, zowel in de Nederlandse als in de internationale context, steeds belangrijker als instrument van machtsvertoon.

In 1668, Willem meerderjarig. Ballet de le Paix, een theatrale opvoering geheel op de wijze waarop absolute monarchen zichzelf graag tot middelpunt van belangrijk gebeurtenissen maken. De Staten werden niet als acteurs bij de gebeurtenis betrokken. De Staten hadden tot dan toe in alle opgevoerde voorstellingen van de Hoofse Oranjepraal actief deelgenomen. Deze imitatie van het hoofse theater van Lodewijk XIV was echter geen doorslaggevend succes.

De joyeuses entrées ofwel blijde inkomsten De onderdanen huldigen de nieuwe heerser en lieten hem gelijktijdig hun privileges bekrachtigen. De tweede component, het propagandistische effect, kreeg in de loop van de 17e eeuw de overhand op het juridische effect.

Willem III in 1691 in Den Haag triomfantelijk ingehaald. Georganiseerd door twee vooraanstaande propagandisten van het hofgezelschap rond Willem. Beiden waren verantwoordelijk voor de politiek-propagandistische afbeeldingen op de triomfbogen en de decoraties voor de intocht in Den Haag. Het enige element dat, in tegenstelling tot vroeger, niet in voorstellingen voorkwam, was de soevereiniteit der Gewestelijke Staten. De Koninklijke Bibliotheek bezit alleen al over dit bezoek bijna 40 pamfletten. In deze pamfletten staat de verheerlijking van Willem als koninklijke majesteit centraal.

Het hoofse leven onderging, zeker in vergelijking met de 1e helft van de 17e eeuw, veranderingen die niet alleen van kwantitatieve aard waren. De betekenis van de domeinraad, als belangrijkste schakel tussen het hof en het republikeinse politieke milieu, was verminderd. In plaats van de professionele beheerders brachten de gunstelingen van Willem nu de verbindingen tussen hof en Staten tot stand. Het hof werd steeds meer het centrum van een uitgebreid netwerk van belangenbehartigers van Oranje.

 

Het Oranjehof als integraal onderdeel van de politiek-sociale cultuur van de Republiek

1747, na het tweede stadhouderloze tijdperk, dat in 1702 begon.

Het Nederlandse politieke systeem bleef een systeem dat op informele structuren berustte. Om deze informele structuren te beïnvloeden, werden de eer, roem en praal van het Oranjehuis als propagandamiddel ingezet.

De bevolking had geen besef van een verschil tussen de staatsrechterlijke gesanctioneerde soevereiniteit der gewestelijke Staten en de autoriteit van de stadhouder, wiens bijzondere maatschappelijke positie tot uiting kwam in de hoofse praal. De feesten naar aanleiding van de Amsterdamse en Haagse kermis hebben dit aangetoond. De Oranjes hadden hierbij meer succesdan de elite van de Staten, omdat hun autoriteit op personen gefixeerd kon worden in tegenstelling tot de republikeinse zelfuitbeelding.

Staatsrechterlijk werkte de hoofse individualisering van de figuur van stadhouderlijke quasi-heerser disfunctioneel; zij ging buiten het kader van het constitutionele systeem. Voor het politiek-sociale syteem van de Republiek werkte dit echter wel, zorgend voor identificatie.

Het hof had in het politiek-sociale stelsel van de Republiek een ambivalente functie. Aan de ene kant vertegenwoordigde het een noodzakelijk onderdeel van de stadhouderlijke autoriteit, aan de andere kant vormde het hof een eigen sociaal systeem dat zichzelf buiten het sociale kader van de Republiek kon plaatsen.


| Ritueel en Symboliek | Volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

Peter Prevos (1997)