Handwerkslieden en arbeiders in Holland van de 16e tot de 8e eeuw: Identiteit, cultuur en protest
Rudolf Dekker
Inleiding
De sociaal-economische geschiedschrijving heeft het thema arbeid zeker niet verwaarloosd. Er is veel geschreven over de geschiedenis van bepaalde ambachten en het boerenbedrijf. De nadruk lag echter altijd op een kwantitatieve benadering. Historici hebben daarnaast vooral oog gehad voor de veranderingen die de industrialisering en mechanisering met zich mee brachten. Loonarbeid is niet alleen een gevolg van de industriële revolutie, maar ook het proces van staatsvorming: de overheid werd in onze eeuw in veel landen namelijk de grootste werkgever.
Het besef dringt door dat de moderne begrippen als arbeid en loon niet zonder meer toepasbaar zijn op de pre-industriële periode. Daarnaast hebben tot voor kort veel historici het onderzoeksgebied bestudeert vanuit een marxistische visie met nadruk op een al evenzeer anachronistisch klassebegrip en met verwaarlozing van de mentale aspecten.
In dit hoofdstuk zal worden nagegaan welke perspectieven deze nieuwe aanpak biedt voor het onderzoek van de sociabiliteit, het groepsgedrag en -gevoel van handwerkslieden in de Republiek de Verenigde Nederlanden.
Joris Craffurd, Amsterdams makelaar kent vier soorten van volk:
Geen plaats voor onderscheid tussen ambachtsmeesters en knechts.
Identiteit en cultuur
Formele en informele organisaties
In Gilden waren de zelfstandige meesters verenigd.
De knechts - en leerjongens organiseerden zich in beurzen of bossen, organisaties die vooral gericht waren op sociale voorzieningen.
Zowel formele als informele organisaties van knechten waren in de omringende landen veel sterker ontwikkeld.
De Reformatie had een belangrijke consequentie voor de gilden: ze verloren hun religieuze karakter. Niet langer konden de leden hun religieuze plichten vervullen in hun eigen kapel en niet langer liepen ze mee in processies of vierden ze de naamdag van hun schutspatroon. Toch bleef er nog veel over. Gilden konden wel meelopen in optochten die werden georganiseerd als een stad een hoge gast ontving. Ook bleven ze hun feesten houden, met de jaarlijkse maaltijd als hoogtepunt.
Antropologen zouden de ontgroening beschouwen als een rite de passage, die een belangrijke, sociale overgang begeleidde, in dit geval het opgenomen worden in een beroepsgroep. Slechts weinig van de aan de ambachten verbonden feestelijkheden zijn tot in onze tijd blijven bestaan.
Charivari, oftewel ketelmuziek, is de luidruchtige en soms hardhandige wijze waarop een groep afwijkend gedrag van haar leden corrigeert, of, zoals antropologen het zouden noemen: rituele sancties op deviant gedrag.
Veel ambachten waren in de praktijk erfelijk en vaak bestonden gilden - of overheidswetgeving die bevorderde dat ambachten overgingen van vader op zoon.
In tegenstelling tot wat men dikwijls meent, bleven de gilden belangrijk gedurende de hele 17e en 18e eeuw. In de Franse tijd werden ze opgeheven en helaas zijn toen ook de meeste archieven vernietigd.
Geografie
Naarmate een groep hechter is, zullen de leden meer in elkaars nabijheid wonen. Wanneer de beoefenaren van hetzelfde handwerk in elkaars nabijheid wonen, is dat een aanwijzing voor een sterke groepsidentiteit. Er kunnen echter ook ander factoren zijn die aanzetten tot het zoek naar elkaars nabijheid, zoals geloof, herkomst of etniciteit.
Zowel beroep als herkomst bleven belangrijke factoren te zijn en bede werden weerspiegelt in de straatnaamgeving, maar is slechts een ruwe indicatie.
Bepaalde sterk vervuilende beroepen werden dikwijls van overheidswege geconcentreerd, doorgaans aan de rand van de stad en soms zelfs buiten de stadsmuren.
In Amsterdam bestond in de 17e en 18e eeuw een duidelijke segregatie naar rijkdom. Op het niveau van wijk woonde arm en rijk door elkaar, maar op het niveau van straat en gracht apart.
In de 19e en 20e eeuw werd de stedelijke geografie meer een weerspiegeling van de economische hiërarchie. Er ontwikkelden zich arbeidersbuurten en elitewijken.
De stedelijke geografie van pre-industrieel Nederland, waar beroepsgroepen vaker in elkaars nabijheid woonden dan later, moet in zekere mate hebben bijgedragen aan de sterke band die tussen beroep en identiteit bestond.
Kleding
Niet zo lang geleden gaven visserstruien in Nederland niet alleen het beroep aan van de drager, maar ook zijn thuishaven.
Antropologen zien dit gebruik van kleding als ritueel, ze bepalen de uiterlijke kant van rites de passage en geven de drager een onzichtbare, aparte status.
Bernard de Mandeville: Kleren maken de man.
Een opmerkelijk aspect is dat in pre-industrieel Europa de overheid grote bemoeienis had met de kleding van haar onderdanen. Bijvoorbeeld het verbieden van al te weelderige kleding. Sommige groepen moesten zich geheel afwijkend kleden, zoals de joden.
In de Republiek bestonden zulke vergaande voorschriften niet.
Ego documenten van mensen uit het gewone volk werden vaak geschreven door degenen die op een of andere wijze hun milieu ontstegen waren.
Beeld en zelfbeeld
Welke oordelen en vooroordelen bestonden er ten aanzien van de beoefenaren van verschillende ambachten, en hoe zagen zij zichzelf? Verschillende bronnen staan ons ten dienste:
Beroepsziekten
Een factor die de eenheid binnen een groep sterk kan bevorderen wordt gevormd door de gedeelde ontberingen.
Over de beroepsziekten, die aan de oude ambachten verbonden waren, zijn we goed ingelicht dankzij het werk van de Italiaanse medicus Bernardino Ramazzini (1633-1714).
Protestbewegingen
De uutganc en uytsceyding als vormen van staking
In conflictsituaties is solidariteit een noodzaak, en het zijn juist de conflicten die de onderlinge solidariteit verstevigen.
Protesten van arbeiders tegen de arbeidsomstandigheden en acties voor hogere lonen vinden we in Holland al sinds de middeleeuwen.
Een uitgang hield in dat arbeiders het werk neerlegden en de stad verlieten, om alleen terug te keren wanneer aan hun loon- en andere eisen tegemoet was gekomen. Uitgang, ofwel uutganc, uutlopinge en ruminge.
Een uitgang verliep volgens een vast patroon. Zo was het gebruikelijk dat de vollers, zodra ze de stad verlaten hadden, gratie bedongen als eerste voorwaarde voor hun terugkeer. Er werden in Leiden regelmatig vollers wegens deelname aan, of voor het beramen van, uitgangen veroordeeld.
De acties hadden meestal een georganiseerd karakter. De arbeiders besefte dat onderlinge solidariteit een voorwaarde was om een actie te doen slagen. De solidariteit moest wel meer dan eens met harde hand worden afgedwongen.
De eerste fase van de geschiedenis van het arbeidersprotest in Holland wordt vooral gekenmerkt door de grote actiebereidheid van de vollers in de 15e eeuw, waarbij veelvuldig gebruik wordt gemaakt van de uitgangs als actiewapen. Hoewel bij wet verboden, kon een uitgang zeker succes hebben. Het is merkwaardig dat de uitgangen na 1500 nog nauwelijks voorkwamen.
De voorwaarden die de uitgang in de 14e eeuw tot een effectief wapen maakten waren echter verdwenen. In de 14e en de 15e eeuw waren de steden veel meer elkaars concurrenten dan later en vakbekwame arbeiders uit andere steden werden met open armen ontvangen.
De droogscheerders bleven wel regelmatig in vergaderingen bijeenkomen. Courtvergaderingen of courten. Een soort eigen rechtbank van het gilde. Tijdens een courtvergadering kon besloten worden het werk neer te leggen. Het woord werkstaking kende men niet, maar de term uytscheyding kan als 17eeeuws synoniem worden beschouwd. Men legde het werk neer als pressiemiddel om de eisen kracht bij te zetten.
Tussen de werkstaking in de 17e en 18e eeuw en die van de 20e eeuw bestaan meer overeenkomsten dan verschillen.
Er was een actietype dat zich onderscheidde van de hierboven omschreven vormen, namelijk de stakingen tegen de overheid.
De werkstaking verdween als actievorm van stedelijke arbeiders en ambachtslieden na het midden van de 18e eeuw.
Solidariteit en vuilverklaring
De knecht legde uit dat als de droogscheerders tijdens een vergadering eenmaal een besluit hadden genomen, degenen die zich daar niet aan hielden, vuyl werden verklaard. De vuilverklaring kon men later weer afkopen (sich suyveren) met een daalder of een pint jenever of brandewijn.
Tijdens de grote stakingen, zoals de generaale uytscheyding van 1691 in Amsterdam, waren zulke acties, thans dweilacties genoemd, gebruikelijk.
Uitgenodigd worden te drinken was het ritueel waarmee een individuele vuilverklaring beëindigd werd. Het was een rite de passage, waardoor men weer werd opgenomen in de beroepsgroep.
De vuilverklaring was een wapen dat niet alleen gebruikt werk tijdens grootscheepse acties, maar waar ook in meer alledaagse situaties naar gegrepen werd.
Belangenorganisaties van knechten waren verboden in de Republiek. Wel bestonden er in sommige steden enkele beurzen of bussen waar knechten lid van konden worden, maar dit was uitsluitend een ziekte of begrafenisfonds.
In 1710 werd de stakende Amsterdamse droogscheerders verboden eenig geld van hun medegasten op te haalen of te laaten intekenen.
De Franse droogscheerders onderscheidde zich niet van hun Hollandse vakgenoten. In Duitsland waren acties van arbeiders eveneens een bekend fenomeen. In Engeland waren de arbeiders nog beter georganiseerd dan in Duitsland en Frankrijk. In veel ambachten hadden de knechten box clubs (beurzen) met als doel ondermeer onderlinge bijstand bij ziekte.
De overeenkomsten tussen deze onderzoeksresultaten zijn treffend. In feite kan West-Europa in dat opzicht als een eenheid worden beschouwd.
De Hollandse arbeiders kwamen voor een groot deel uit het buitenland. Terwijl in de andere landen arbeiders in hoge mate georganiseerd waren, was dit in Holland niet het geval. In Holland heerste er een meer repressief klimaat.
De recente literatuur besteed geen aandacht aan de continuïteit van de middeleeuwen tot de 18e eeuw, maar er is des te meer geschreven over de vraag of de 19eeeuwse arbeidersbeweging wortelt in de 18e eeuw.
Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland
correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom
Peter Prevos (1997)