Prostitutie en de Amsterdamse burgerij

Eerbegrippen in een vroegmoderne samenleving

Lotte C. van de Pol

Inleiding

Het verschil tussen burgers en niet-burgers, ofwel poorters en niet-poorters.

Het werd in alle gevallen bevestigd met het afleggen van een eed van trouw. Het poorterschap was vereist voor politieke functies, lidmaatschap van gilden en overheidsambten. Ook hadden burgers recht op een geprivilegieerde behandeling bij armenzorg en justitie.

Een derde categorie: de ingezetenen. Ingezetenen verwierven na een aantal jaren ook rechten, bij voorbeeld het recht op onderstand. Burgers en ingezetenen werden bovendien samen tegenover de vreemdelingen gesteld.

Het tweede belangrijke ordeningsprincipe was de eer. Eer is in essentie iemands reputatie. Eerlijke lieden hadden meer rechten dan eerlozen.

Vroegmodern Europa was in hoge mate een schaamtecultuur, die pas in de moderne tijd is veranderd in een schuldultuur. In een schaamtecultuur maken de goede naam in de ogen van de buitenwereld en daarmee de samenhangende eerbewijzen de waarde van een persoon uit, in een schuldcultuur is men aan het eigen geweten verantwoording verschuldigd voor zijn gedrag.

Een eerlijk burger die overspel of meineed pleegde of misbruik maakte van zijn ambt, kon bij berechting eerloos, infaam, verklaard worden, ontheven worden van zijn ambt en zijn rechten als burger konden hem worden ontnomen. Wel was het mogelijk om een schikking met de schout te treffen om zo de eerloosverklaring te ontlopen.

In de 17e en 18e eeuw werd het verschil tussen arm en rijk groter en nam de afstand tussen de standen toe. Deze elite onttrok zich voor een deel aan de burgerlijke codes van eer: de afstand tot de rest van de bevolking was zo groot, dat de grenzen met het gewone volk op andere wijze duidelijk genoeg waren. De burgerrechten en erecodes werden het sterkst gevoeld door de kleine burgerij.

Daarnaast bestonden er in Amsterdam allerlei subculturen, waarvan de normen en waardes afweken van de dominante cultuur. Voorbeelden hiervan zijn de joden en de prostituées.

Joden genoten in Amsterdam vrijheid van godsdienst en mochten vrijelijk overal in de stad wonen, maar waren tevens de groep die wettelijk het meest gediscrimineerd werd. Twee groepen: de rijke Portugese (sefardische ) en de arme, Hoogduitse (asjkenazische) joden.

In de stad Amsterdam, met haar grote aantallen immigranten, kon niet alle opzichten de hand worden gehouden aan het criterium van poorterschap. In de tweede helft van de 17e eeuw experimenteerde de overheid met een goedkoper, beperkt poorterschap. Burgerlijk lijkt eerder een algemene aanduiding te worden voor behorend tot de fatsoenlijke middenstand dan voor in het bezit van burgerrecht.

Vreemdelingen hadden per definitie geen eer, omdat de eer berust op kennis van iemands reputatie en van de achtergrond en reputatie van iemands familie. Dit eersysteem is in een face to face cultuur als de vroegmoderne overigens begrijpelijk.

Wat was specifiek onterend?

De precieze inhoud van de betekenis van het woord eer is niet in elke periode, cultuur of stand het zelfde. Een aantal algemene kenmerken:

Het hoofd is de zetel van de eer; het onderlichaam, met de bijbehorende functies, organen en uitscheidingen, is de plaats van schande en schaamte.

Prostitutie was een oneerlijk bedrijf bij uitstek. Hoeren en hoerenwaardinnen waren per definitie eerloos. Wie zich met hen inliet werd besmet (letterlijk en figuurlijk).

Eer was voorts nauw verbonden met betrouwbaarheid in geldzaken. In de populaire literatuur wordt het hoer worden van een vrouw vaak op één lijn gesteld met het bankroet gaan van een man. Aanraking met justitie, en vooral met schavot en gevangenis, gold in hoge mate als eerloos. Tenslotte werd een inbreuk op het bewijzen van de laatste eer als zeer ernstig ervaren.

Vrouweneer en manneneer

Bij vrouwen was de eer en goede naam in de eerste plaats afhankelijk van haar seksuele reputatie. Eer is echter niet synoniem met maagdelijkheid.

Hoewel overspel, hoerenlopen en perverse seksuele praktijken de naam van een man zeker geen goed deden was de eer van de man afhankelijk van meer factoren dan de seksuele eer alleen. Bij mannen speelde bij uitstek de beroepseer. Het vermijden van bedrog, insolventie en corruptie. De onderlinge solidariteit van handwerkslieden en gezellen.

Voor een man was een als vrouwelijk beschouwde daad of handeling een schande. Een vrouw die als man leefde verloor echter niet haar eer.

In de mediterrane culturen is de eer van de man in hoge mate afhankelijk van de seksuele kuisheid van zijn vrouw en van de vrouwelijke familieleden die onder zijn gezag staan. Blok stelt dat vrouwen geen zelfstandige eer hebben; zij hoeven deze ook niet te verdedigen. Eer is vrijwel synoniem met bewezen manlijkheid.

In Nederland was de eer van een vrouw niet een afgeleide, maar een zelfstandig bij de vrouw behorende eigenschap, die zij ook persoonlijk moest verdedigen.

Een voorbeeld: De rechtsgang

De openbare ontering was een wezenlijk, soms het belangrijkste aspect van de straf. Het schavot, brandmerken voor dieven, oren afsnijden voor prostituées. De uitvoering van de doodstraf was omgeven met veel plechtigheid en openbaar ritueel en de wijze van terechtstelling had een symbolische betekenis. Onthoofding met een zwaard was eervoller dan aan de galg of de wurgpaal. Ook na de dood kon de ontering doorgaan: door schending van het lichaam of het lijk niet te begraven.

In tucht- en spinhuizen kon men na betaling van een paar stuivers de gevangenen gaan bekijken en bespotten. De tuchthuizen hadden echter ook secrete, ofwel niet openbare afdelingen. Daar zaten de zogenaamde wittebroodskinderen, afkomstig uit de burgerij, die op verzoek van hun familie opgesloten waren. Een discrete vrijheidsstraf voorkwam dat dergelijke gevallen van kwaad tot erger zouden gaan, en dus tot openbare ontering zouden leiden.

De woorden een en oneer in het dagelijks gebruik

Het Woordenboek der Nederlandse Taal geeft vele betekenissen van het woord eer als van de samenstellingen, waarvan vele verouderd zijn. In de rechterlijke archieven waren de termen oneerlijk leven en oneerlijk huis houden de meest gebruikte synoniemen voor de hoer spelen en hoerhuis houden. Maar in een oneerlijk huis kunnen ook andere, niet seksuele zaken, plaatsvinden, zoals gokken, heling, onderdak bieden aan verbannen personen en dieven. Meestal had het echter een seksuele connotatie.

In de wereld van prostitutie, waar de eer opvallend afwezig was, tooiden doorgewinterde hoeren en waardinnen zich met bijnamen zoals Engel de Eeren of de eerlycke dienstmeid. In de schelmenroman De Amsterdamse lichtmis wordt ironisch van eerlyk banqueroet en eerlyke hoerhuizen gesproken.

Eerdieverij: Schelden, belediging, bedreiging en chantage

Scheldwoorden waren als belastering van iemands eer en goede naam een ernstige zaak en zijn ruim gedocumenteerd in de rechterlijke en notariële archieven. Schelden was geen crimineel delict.

Vrouwen: hoer, dievegge, beest en varken, spinhuishoer, spinhuisvee, gebrandmerkte hoer, jodenhoer, pokkige hoer, teef, bliksembeest, donderse hoer, straatvarken..

Mannen: schelm, dief, hond, bootsgezeldief, rasphuisboef, fielt, wijvenbeul, hoerenjager, bloedhond, uitgebannen hond, bankroutier.

Schelddichter Mattheus Tengnagel: Frik in t Veurhuis. Scheldoefening in eenakter.

De scheldwoorden gingen vaan gepaard met handtastelijkheden. Saartje Christoffels, een prostituée heeft bij haar arrestatie haer rocken opgeraept en haer water op de vloer gemaekt.

Een typisch mannen gebaar was het mime maken van het bek opsnijden.

Het bek opsnijden veroorzaakte een opvallend lidteken (een rood lintje) in het gezicht, en was dus gezien de positie van het hoofd als zetel van de eer, zeer onterend.

Het dragen van een mes was een mannenprivilege. Vrouwen gebruikten handen, tanden, pollepels etc.

Het lagere volk en de marginale groeperingen

Mensen die in de 17e eeuw voor de kerkeraad werden gedaagd waren meestal arm maar distantieerden zichzelf duidelijk van de oneerlijke lieden in de buurt.

Het lijdt geen twijfel dat deze marginale groeperingen wel als tegencultuur werden beschouwd.

De kroeg werd gezien als omkering van de kerk, het hoerhuis als omkering van het burgerlijk huishouden, de Oostindiëvaarder werd tegenover de burger gesteld.

De wereld van de prostitutie

De prostituées en hun waardinnen en waarden waren eerloos omdat ze geen seksuele eer hadden en vaak in aanraking waren geweest met justitie.

Prostitutie was vooral te vinden in kleine hoerhuizen waar een hoerenwaardin en één of twee meisjes woonde. Soms waren dit openlijke huizen, vaak ook stille huizen. Een typisch Amsterdams fenomeen was het speelhuis of musico, waar muziek werd gespeeld en waar gedanst kon worden. Iedereen kon er, zonder al te veel schande, een kijkje nemen. Prostitutie werd in feite getolereerd.

Binnen de wereld van de prostitutie golden eigen regels. Prostituées maakten elkaar onderling bij voorbeeld uit voor getrouwde mans hoer of jodenhoer.

Diefstal was altijd erger dan prostitutie.

Voor hoerenwaardinnen gold vooral dat het erg was om een eerlijk meisje tot prostitutie te brengen.

Maar zelfs binnen deze wereld was geld verdienen met prostitutie oneerlijk. Geld verdienen met seks was besmet.

Manneneer vereiste kuisheid en seksuele trouw van de vrouw, overwicht van de man op de vrouw en het vermijden van vrouwenwerk.

Hoerenwaarders of de mannen van de waardinnen verkeerden in een andere positie. Succesvolle hoerenwaardinnen hadden weinig moeite een man te vinden. De rol van de waard diende zich er toe te beperken tot schenker van drank en daarnaast moest hij lastige klanten verwijderen. Mannen die er van beschuldigd worden hoerenwaard te zijn, verklaren voor de rechtbank vaak dat ze er niets van weten en er niets mee te maken hebben, omdat het huishouden en dus ook het hoerenhuishouden alleen hun vrouw aangaat.

De prostitutie binnen de stad

Van alle marginale en oneerlijke groeperingen had de wereld van de prostitutie het meest frequent en het meest persoonlijke contact met de eerlijke wereld. Dit leidde wel tot spanningen en conflicten waar de overheid in de loop der tijd verschillende oplossingen voor heeft gezocht. In de middeleeuwen werd prostitutie binnen bepaalde grenzen getolereerd. Van de 13e tot in de eerste helft van de 16e eeuw was het in heel Europa in de steden een officieel erkend, maar eerloos, beroep. De overheid zorgde er echter voor dat de scheiding tussen eerlijke en oneerlijke lieden scherp en voor iedereen zichtbaar getrokken werd. Prostituées, maar ook joden en leprozen werden naar een bepaald gedeelte van de stad verwezen. Zij waren verplicht te wonen in stadsbordelen, die onder gezag stonden van de overheid of soms zelfs van de kerk. Op vele plaatsen waren de prostituées verlicht zich te kleden in een bepaalde kleur of tekenen op hun kleding te dragen.

In de loop van de 16e eeuw kwam vrijwel overal een eind aan de politiek van regulering en institutionalisering van de prostitutie. Het gevolg was dat de prostitutie ondergronds ging en zich in kleinschalige, naar buiten toe onopvallende hoerenhuizen over de stad verspreidde, ook nam het aantal stille prostituées toe. In de Nederlanden werden in alle steden die door de Opstand naar het kamp van de Reformatie overgingen, meteen de stadsbordelen gesloten. Hoererij betekent nu niet meer prostitutie, maar alle seks buiten het huwelijksbed, en zelfs daarbinnen, als een echtpaar zich aan enthousiasme en variatie te buiten ging. De verantwoording van de buren voor een zedelijk leven, voor de grenzen tussen eerlijk en oneerlijk, was altijd al groot, maar werd nu nog belangrijker.

Prostitutie binnen de buurten

In de hoofdstraten en langs de breedste grachten woonden de welgestelden, in smalle zijstraatjes en steegjes, in kelders en achterhuizen de armen.

Bij de Amsterdamse stadsuitleggingen van het midden van de 17e eeuw werd er bewust uitgegaan van sociale segregatie van wijken.

Prostitutie en prostituées waren niet te vinden in de elitewijk van de Herengracht, niet bij de Portugese joden en tot de 18e eeuw weinig bij de Hoogduitse joden, en ook niet op de eilanden waar de scheepstimmerlieden woonden: kortom niet in sociaal homogene buurten.

Een geschiedenis van de geografie van de Amsterdamse prostitutie is zeer complex.

Ergernis door prostitutie

Geluidsoverlast, dreigementen van de prostituées, de schandelijke zaken die daar plaats hadden, en dat fatsoenlijke lieden niet door de straat konden zonder aangesproken te worden.

Met dreigementen probeerden de betrokkenen zon aanklacht te voorkomen.

Van groot belang was de strijd om het gebruik van de openbare weg. Openlijke prostitutie was een schande voor de straat en het te pronk zitten van de meisjes wekte veel ergernis.

Opvallend is overigens dat voor het midden van de 18e eeuw nooit vermeld wordt dat dergelijk openlijk seksueel vertoon schadelijk zou zijn voor de kinderen.

Een hoerenwaardin haalde zich ook de woede van de buurt op de hals als ze zich niet aan de ongeschreven regel hield dat prostitutie buitenstaanders betrof. Vaak vinden we het verwijt dat ze burgerskinderen verleidde.

De rol van vrouwen in de buurten

In de praktijk waren de contacten tussen de prostitutie en de burgers een zaak van vrouwen onderling. Volksbuurten, waar veel van de mannen zeelieden waren, woonden veel meer vrouwen dan mannen. Ruzies ontstonden meestal tussen buurvrouwen en hoeren of hoerenwaardinnen. Een gevoelig punt daarbij waren de verdiensten.

Acceptatie?

Er moet ook een zekere tolerantie zijn geweest ten aanzien van prostitutie, meer dan tegenover sommige andere soorten deviant gedrag.

Prostitutie bestond immers bij de gratie van het gegeven dat gewone burgers bereid waren huizen of kamers te verhuren voor dergelijke doeleinden.

Hoerenhuizen waren afnemers van drank, voedsel, kleding en verschaften werk aan schoonmakers, naaisters etc.

Wanneer een man onder een trouwbelofte wilde uitkomen door te bewijzen dat de betreffende vrouw eigenlijk een hoer was, schakelde hij de buren in om hierover voor een notaris te getuigen.

Die vertrouwelijke omgang en het vermijden van schandaal en overlast van de kant van de prostituées weerhielden de buurvrouwen er geenszins van belastende verklaringen af te leggen.

Bij de openbare prostitutie was de overlast groot, maar was het tevens duidelijk wie eerlijk en wie eerloos was. Maar de stille prostitutie, waar een eerlijke façade werd gecombineerd met in het geheim profiteren van prostitutie, is waarschijnlijk nog van grotere ergernis geweest.

De Jonker- en de Ridderstraat

De vraag in hoeverre en onder welke voorwaarden prostitutie door de buurt werd geaccepteerd, kan niet in zijn algemeenheid behandeld worden; daarvoor is de verscheidenheid van buurten en van uitingsvormen van prostitutie te groot.

Bernard de Mandeville, van oorsprong Rotterdammer, geëmigreerd naar Engeland Fable of the Bees (1714). De prostitutie is geconcentreerd in achterbuurten, die toch al eerloos zijn. De opmerking van de Mandeville dat de hele buurt waarin de speelhuizen stonden als oneerlijk gold zou door de bewoners zelf worden bestreden.

Voor de buitenstaanders waren dit achterbuurten, met een vloeiende scheidslijn tussen eerlijk en eerloos, Maar juist in de nabijheid van de eerloosheid moet het voor de eerlijke armen tot een levensbelang gemaakt hebben hun positie te verdedigen.


| Ritueel en Symboliek | Volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

Peter Prevos (1997)