Techniek als cultuurverschijnsel

Leereenheid 1, een inleiding

Men kan een brede of een smalle definitie geven van zowel het begrip "techniek" als "cultuur". De beperkte definitie heeft de grootste populariteit.

De scheiding tussen techniek en cultuur komt uit de Oudheid. Plato maakte onderscheid tussen geest (de Ideeën) en lichaam (de materiele wereld). Zich bezighouden met de absolute waarden was van een hogere orde. In zijn maatschappij van filosofen, wachters en burgers was geen enkele sociale mobiliteit. De ambachtsmannen hadden de laagste status.

Volgens Aristoteles ontstond de wetenschap nadat alle zaken die op praktisch nut en op verstrooiing gericht waren, waren uitgevonden. (Scholè = vrije tijd)

Mechanica ging men beschouwen als een praktische wetenschap als onderdeel van de krijgskunde.

In de 16e eeuw ontstond er een schemergebied tussen ambachten en zuivere wetenschap, bijv. de astronomie. Het experiment, door de Grieken verboden als middel om de waarheid te achterhalen kwam in zwang. Ook de praktische toepassing van de wiskunde in de optica en de cartografie druiste tegen in tegen de klassieke waarden. De kruisbestuiving tussen wetenschap en praktijk vond vnl. plaats in het belang van de staat. Van toenadering tussen ambacht en wetenschap is nog geen sprake.

In de 18e eeuw komen er voor het eerst encyclopedische overzichten van de ambachten. Het hebben van kennis over de nijverheid was een teken van beschaving.

De techniek wordt nu beschouwd als een vorm van toegepaste wetenschap, maar er is nog steeds een statusverschil. Zie Thorbecke en de "Polytechnische school".

In de 19e eeuw kwam er een nieuwe scheiding tussen exacte wetenschappen ,incl. de toegepaste wetenschappen, en de geesteswetenschappen (Dilthey).

Na de eerste wereldoorlog volgde een periode van pessimisme en onrust. De vooruitgang was niet bij voorbaat vanzelfsprekend en gunstig. In veel SF wordt de nadruk gelegd op machtsmisbruik, vernietiging en dreiging. Men zag de techniek als een zich autonoom en onbeheersbaar ontwikkelend verschijnsel.

De sfeer van vrees en hoop is ook na de tweede wereldoorlog herkenbaar. Vanuit de overheid wordt wetenschappelijk onderzoek gestimuleerd vanuit de gedachte dat materiele en geestelijke welvaart nauw met elkaar vebonden zijn..

Snow zet de "scientists" en de "literairy intellectuals" lijnrecht tegenover elkaar in wantrouwen en argwaan. Hij pleit er voor dat het grote publiek de waarde leert kennen van beide werelden en dat de politici hun verantwoordelijkheid nemen om met technische middellen de rest van de wereld te verbeteren.

De ontwikkelingen in de jaren 50 en 60 leken het technologisch determinisme, =technische ontwikkeling is bepalend voor de maatschappij, te bevestigen. De wortels daarvan liggen in de 18e eeuw. Men zag de technische ontwikkeling als een autonoom proces. Het was zinloos/ verwerpelijk om het proces te hinderen.

Ogburn, op zich geen tegenstander van deze visie, zag nog enige keuzemomenten, maar eenmaal voor de toepassing van een techniek gekozen, zijn de gevolgen onvermijdelijk geworden.

In de discussie over de verantwoordelijkheid bij de uitvinding en toepassing van een artefact, zorgde het uitblijven van successen in de ontwikkelingshulp voor twijfel aan de neutraliteit van de techniek. Een voorbeeld van de tunnelvisie van de ingenieurs.

De geschiedschrijving van de techniek werd in eerst instantie opgepakt door de technici zelf. In Duitsland hadden de Bildungsburger een afkeer en misachting voor de technicus. Geschiedschrijving kwam voort uit een emancipatiestreven. In Engeland had men in dat opzicht minder zendingsdrang.

Er was een exclusieve aandacht voor de "winnaars", techniek en vooruitgang waren automatisch met elkaar verbonden. De a-priori opvatting dat er een scheiding bestond tussen cultuur en techniek werd bevestigd. De geschiedschrijving had ook vaak een educatief effect.

Deze geschiedschrijving is internalistisch.

In de jaren 50/ 60 kwam er belangstelling voor de technische geschiedschrijving uit de economische hoek en ook bij sociologen en politicologen. Hierbij werd geen aandacht geschonken aan het technische artefact op zich: een externalistische benadering.

In de jaren 60/70 komt er een benadering waarbij het centrale thema dat is van de eventuele stuurbaarheid van techniek en wetenschap en dat van de verantwoordelijkheid.

De beslissende stap naar techniekgeschiedenis als een brede maatschappijgeschiedenis werd gezet door Melvin Kranzberg. Dan ontstaat de Society for the History of Technology (SHOT) die de maatschappelijke component nadrukkelijk op de voorgrond stelt vanuit een brede definitie van cultuur.

De econoom Rosenberg brak de visie dat techniek een gegeven is bij onderzoek, open.

Ook de economen Nelson en Winter lieten het idee los dat techniek zich los van maatschappelijke beïnvloeding ontwikkelt, al zagen zij toch een zekere gedetermineerdheid.

Wetenschapssociologen hadden in de 60er jaren de natuurwetenschappelijke claims van van objectieve waarheid al gerelativeerd. In het verlengde hiervan ontstond in de 80er jaren de stroming SCOT (Social Constuction of Technology). Zij gaan uit van actoren die in een te ontwikkelen artefact hun ideeën concretiseren. Tot die actoren horen, anders dan bij Nelson en Winter, niet alleen technici. Een actor kan zowel een groep als een individu zijn.

Of een artefact "werkt" of niet heeft geen objectieve criteria, beoordelingen zijn gebruikersafhankelijk.

Hughes toonde bij zijn vergelijking van de elektriciteitsvoorziening in drie regio's grote verschillen aan, veroorzaakt door verschillende sociale invloeden.

Techniekgeschiedenis is wellicht geen aparte discipline te noemen. Noble stelt dat die slechts bestaansrecht heeft gekregen doordat men er een aanstelling bij een universiteit mee in de wacht kan slepen. Ludwig constateert dat de techniekgeschiedenis steeds meer interdisciplinair wordt.

Nu (uitgangspunt van deze cursus) gaat men er van uit dat er geen vaste verhouding is tussen techniek als de dominante factor en de samenleving als aanpasser.

Vaak worden diverse oplossingen van het probleem naast elkaar uitgewerkt.


| Index | Techniek als Cultuurverchijnsel | Volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

Marga Mulder (2002)