IX Methodologie

Het verleden is per definititie niet meer, het is voorgoed voorbij. Het verleden ligt achter ons en kan niet meer worden veranderd. Aristoteles heeft in dit verband opgemerkt dat zelfs God het eenmaal gebeurde niet meer ongedaan kan maken.1

Dit maakt het schrijven van geschiedenis tot een bijzondere activiteit. Het verleden kan vanwege zijn aard nou eenmaal niet rechtstreeks worden gekend, het komt tot ons aan hand van overblijfselen uit het verleden, die door de historicus bronnen worden genoemd. Deze bronnen worden door de historicus verzameld, bestudeerd, geïnter-preteerd en verwerkt tot een stuk geschiedschrijving.

Een realistische visie op de geschiedschrijving is echter onmogelijk. Het realisme stelt namelijk dat wetenschappelijke kennis moet kunnen worden getoetst aan de empirische, de waarneembare werkelijkheid. Men kan echter nooit en te nimmer rechtstreeks waarnemen wat in het verleden is gebeurd en dus is realisme in de geschiedschrijving niet mogelijk.2

De reden dat men de werkelijkheid nooit rechtstreeks kan kennen is vanwege de aard van de beschikbare bronnen. Onder een bron wordt in de geschiedschrijving veelal een geschreven bron verstaan, maar ook archeologische vindPlaatsnamen - het zogenaamde bodemarchief - en andere cultuurhistorische waarden zoals monumentale gebouwen, kunst- en gebruiksvoorwerpen verschaffen waardevolle informatie over het verleden.

Geen van deze bronnen is echter ooit compleet, veel gebeurtenissen hebben nooit enig spoor achter gelaten; andere gebeurtenissen lieten wel sporen na, maar die zijn later alsnog verloren gegaan. Geschiedschrijving, en ook genealogie is dus altijd een interpretatie van de beschikbare bronnen. Het verleden wordt door de historicus zo goed mogelijk gereconstrueerd aan hand van het bestudeerde bewijsmateriaal.

De historicus moet een keuze maken uit het beschikbare materiaal en kiezen wat past in het verhaal dat hij schrijven wil. Hij kan bepaalde zaken belangrijk of onbelangrijk vinden en er al dan niet over uitweiden. De geschiedenis wordt daardoor een persoonlijk verhaal over het verleden. Hedendaagse historici erkennen daarom dat zekere mate van subjectiviteit ten aanzien van het daadwerkelijk gebeurde onvermijdelijk is.3

Bovenstaande geldt natuurlijk ook voor deze familiegeschiedenis. Ik heb de in dit boek beschreven voorouders natuurlijk niet persoonlijk gekend. De beschikbare gegevens zijn over het algemeen echter heel summier. Veelal zijn er over een heel mensenleven slechts enkele gegevens bekend. Hoe verder men terug gaat in de tijd, hoe minder bronnen beschikbaar zijn. Vooral van de periode voor 1795 zijn slechts zeer weinig gegevens bewaard gebleven.

Van de in deze familiegeschiedenis beschreven personen zijn geen ego-documenten overgebleven, zoals bijvoorbeeld brieven of dagboeken, mijn voorouders konden namelijk veelal niet lezen en schrijven. Dit heeft natuurlijk belangrijke gevolgen voor de mogelijkheden van het schrijven van een familiegeschiedenis.

Het Schrijven van een Familiegeschiedenis

Een goede familiegeschiedenis is, volgens Régis de La Haye, een stuk streek-geschiedenis, een stukje plaatselijke historie, waarbij de voorouders geplaatst worden in hun tijd, en waarbij zoveel mogelijk hun leven, hun reilen en zeilen geschetst wordt.4 Het schrijven van familiegeschiedenis staat in wetenschappelijke kringen echter niet hoog aangeschreven. Veel professionele historici en ook veel archivarissen hebben openlijk of diep in hun hart minachting voor genealogie en de doorsnee beoefenaar van de genealogie.5 Volgens Bastiaen is de reden hiervoor dat veel onderzoekers gefixeerd zijn op het verzamelen van zoveel mogelijk voorouders en daarbij het grotere verband uit het oog verliezen.6

Dit is echter niet de werkelijke reden van de kloof tussen de academische historici en de genealogen. In de geschiedschrijving is men wel degelijk geïnteresseerd in de geschiedenis van het leven van alledag. Belangstelling voor het gezin in het verleden heeft volgens D. Haks bij historici altijd wel bestaan. Vooral de afgelopen zestig jaar is er een grote interesse bij historici voor het leven van alledag.7

Men moet echter inzien dat er intrinsieke verschillen zijn tussen een familie-geschiedenis en een sociaal-historisch onderzoek. Een familiegeschiedenis is over het algemeen niet afgebakend in de tijd. De genealoog probeert zo veel mogelijk gegevens over voorouders te verzamelen en het liefst zo ver mogelijk terug in de tijd. Een familiegeschiedenis heeft dan ook meestal een zeer smalle basis; er wordt maar één bepaalde familie uitgewerkt. Een familiegeschiedenis is beperkt door (bloed)verwantschap tussen de beschreven personen. Een familiegeschiedenis is dus als het ware een proefboring in het verleden waarbij van een bepaalde periode en plaats slechts een monster van de geschiedenis wordt genomen.

Een sociaal-historisch onderzoek is afgebakend in onderwerp, gebied en tijd. Men onderzoekt een onderwerp binnen een bepaalde periode in een bepaalde plaats of streek. Ook is een sociaal-historisch onderzoek altijd opgezet vanuit een specifieke probleemstelling. De analogie van de proefboring volgend wordt bij een sociaal-historisch onderzoek een breder, meer representatief monster uit een bepaalde samenleving genomen.

Door deze intrinsieke verschillen zal er altijd een kloof bestaan tussen genealogen en historici. Het heeft dus dan ook geen zin, bovenstaande in acht nemend, om aan een familiegeschiedenis dezelfde eisen te stellen als een aan sociaal historisch onderzoek.

Mijns inziens heeft een genealogisch onderzoek meer gemeen met de historische antropologie. De culturele antropologie dient hierbij als inspiratiebron voor historisch onderzoek of andersom kan de historische methode van dienst zijn om relevante antropologische gegevens te verzamelen.

Het onderzoeksobject van de culturele antropologie is de mens en men is traditioneel gericht op het bestuderen van levende schriftloze culturen in exotische oorden. In antropologisch onderzoek wordt voornamelijk gebruik gemaakt van participerende observatie als methode om culturen te bestuderen. Participerende observatie betekent dat de antropoloog lange tijd in de cultuur die hij bestudeerd leeft, de taal leert spreken en ook deelneemt aan het dagelijks leven. Object van studie in de antropologie zijn bijvoorbeeld familieverbanden, religie en rituelen van het dagelijks leven. Dit zijn ook voor de historicus, en zeker voor de genealoog zeer interessante onderwerpen. De laatste jaren is er dan ook een vruchtbare kruisbestuiving tussen de antropologie en de geschiedschrijving tot stand gekomen.8 De participerende observatie wordt ingeruild voor onderzoek aan historische bronnen. Deze bronnen worden dan vervolgens door een antropologische bril bestudeerd.

Historisch antropologisch onderzoek kenmerkt zich op de eerste plaats door het kwalitatief karakter ervan. Dit in tegenstelling tot de meer kwantitatieve sociologische benadering van de geschiedenis waar het verleden wordt vaak samengevat in grafieken en tabellen. Een tweede kenmerk is de concentratie op kleine gemeenschappen, micro samenlevingen.9 Ook de genealogie kenmerkt zich door het bestuderen van kleine, duidelijk afgebakende, groepen. De historische antropologie heeft vooral aandacht voor het bijzondere. Dit in tegenstelling tot andere benaderingen, die meer aandacht hebben voor het algemene en vaak op zoek zijn naar wetmatigheden en structuren in de geschiedenis.

Deze eigenschappen maken de historische antropologie tot een uitermate geschikt instrument voor het bedrijven van familiegeschiedenis. In deze familiegeschiedenis wordt dan ook in hoofdstuk X de familiegeschiedenis vanuit een antropologisch perspectief beschreven.

Uitvoering en Afbakening van het Onderzoek

Dit onderzoek is gestart met bidprentjes met daarop gegevens over mijn grootvader en overgrootvader. In het voorjaar van 1997 ben ik daadwerkelijk gestart met het onderzoek waarvan dit boek het resultaat is.

Een familiegeschiedenis kan op verschillende manieren vorm worden gegeven. De meest voorkomende vorm is de kwartierstaat. Een kwartierstaat bevat alle voorouders, zowel in mannelijke als vrouwelijke lijn, van een bepaalde persoon, de "probant". Hierdoor ontstaat een zeer persoonlijk beeld voor deze persoon. Ik heb echter gekozen voor het maken van een genealogie, een stamboom. Dit bevat alle afstammelingen in mannelijke lijn (de naamdragers) van een bepaald echtpaar, de stamouders.

Om dit te kunnen doen dient eerst de identiteit van de stamouders te worden achterhaald. In het voorjaar van 1997 heb ik door het bedrijf Holland Family History een stamreeks laten maken van mijn overgrootvader Johannes Laurentius Prevos.10 Hieruit volgde dat Johannes Laurentius Prevos het bet-achterkleinkind was van Petrus Prevaes en Barbara van den Born (zie hoofdstuk III). Vervolgens ben ik met deze wetenschap het onderzoek gaan voortzetten in het Rijksarchief te Maastricht.

Uit dit onderzoek kwamen vervolgens weer verdere stamouders naar voren, namelijk Joannes Prevost en Agnes Huijnen uit Gronsveld (zie hoofdstuk III). Hier bleef ik echter steken en vervolgens ben ik van hen uit begonnen de genealogie op te bouwen.

Studiezaal van het Rijksarchief Maastricht (Foto: RA Limburg)

Studiezaal van het Rijksarchief Maastricht (Foto: RA Limburg).11

Compleetheid van het Onderzoek

Via de persoonskaarten van het Centraal Bureau voor de Genealogie en de burgerlijke stand van Heer heb ik kunnen aantonen dat de tegenwoordige families Prevaes, Prevos en Prevaas allen dezelfde stamouders hebben, namelijk de reeds boven genoemde Petrus Prevaes en Barbara van den Born. Toen ik de hele stamboom nagenoeg compleet had uitgewerkt kwam ik tot een nieuwe ontdekking. In het boek over genealogisch onderzoek in Limburg van Régis de La Haye vond ik een afbeelding van een huwelijk in Valkenburg dat precies in mijn tot nu toe gevonden gegevens paste.12 Hieruit kon ik concluderen dat de reeds genoemde Joannes Prevost in 1658 in Valkenburg was geboren. Tijdens literatuuronderzoek bleek ook dat over deze familie reeds was gepubliceerd.13 Deze nieuwe vondst was zowel een aangename als een onaangename verassing. Het is leuk om meer voorouders te vinden, maar dit betekent ook dat veel meer gegevens moeten worden verwerkt.

Uit de publicatie van Patelski bleek dat Daniel Prevost tevens de stamvader is van de huidige familie Prevoo. Ik heb deze familie echter niet meegenomen in deze studie omdat ik het tijd vond alles wat ik tot dan toe verzameld had te gaan publiceren.

Een publicatie betekent in de geschiedschrijving nooit dat een onderzoek is afgerond. Ondanks de fragmentarische beschikbare informatie, liggen er toch nog vele kilometers archief te wachten op ontsluiting .

Noten:
  1. W.J. van der Dussen, Filosofie van de geschiedwetenschappen (Leiden 1988) 9.
  2. 2 Ibidem.
  3. F.G. Scheelings, 'Een historiografische inleiding', Oriëntatiecursus cultuurwetenschappen. De Bourgondisch-Habsburgse Nederlanden. Open Universiteit (Heerlen 1995) 26.
  4. Régis de La Haye. Limburgse voorouders: Handleiding voor genealogisch onderzoek in Limburg. (Maastricht 1994) 29.
  5. A.D. de Jonge, ´Welke functie heeft de genealogie en voor wie?´, De Maasgouw 107 (1988) 227-235.
  6. Filip Bastiaen, ´Familiegeschiedenis: een wederwoord´, Vlaamse Stam 26 (1990) 530.
  7. D.Haks, ´Het gezin tijdens het ancien regime: een historiografisch overzicht´, Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis 6 (1980) 235.
  8. Zie Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis 6 (1980)
  9. Peter te Boekhorst (red.) Cultuur en maatschappij in Nederland 1500-1850. Een historisch-antropologisch perspectief (Heerlen en Meppel 1992) 32.
  10. Holland Family History, Stamreeks Prevos (Nieuwenhorne 1997). Niet gepubliceerd.
  11. Rijksarchief in Limburg, http://home.wxs.nl/~raljmr/images/raadpleg.gif (december 1999).
  12. de La Haye, Limburgse voorouders, 102.
  13. Funs Patelski, ´De kosters van Valkenburg met enige aantekeningen over hun familie´, Geulrand 1 (oktober 1983) 31.

| Home | Inhoud | Vorige | Volgende |

Peter Prevos (mei 2003)